Pagina Menu

De opdrachtprompt is voor veel gebruikers onbekend terrein. Dat hoeft niet echt te verbazen: het lijkt een overblijfsel uit die lang vervlogen DOS-tijd. Toch zijn er commando's beschikbaar waarmee u taken sneller of nauwkeuriger kunt uitvoeren dan vanuit een of ander diep verborgen Windows-venster.

Naar de opdrachtprompt

Om opdracht­regelcommando's uit te voeren, moet u eerst de opdrachtprompt openen. Er zijn meerdere manieren om dat te doen. Vanuit taakbeheer bijvoorbeeld, of via het contextmenu (rechter muisknop op een bestand en Openen in opdrachtprompt) of door op Start > Uitvoeren te drukken (of druk de Windows-toets+R toetsen) en in het venstertje dat verschijnt cmd te typen gevolgd door Enter. Wanneer u via het cmd-commando naar de opdrachtprompt gaat, komt u in uw eigen profielmap (c:\Users\<gebruikersnaam>). Met het cd-commando (change directory) kunt u naar een andere map gaan.

De opdrachtprompt zelf

windosopdracht.png

Tekst uit Windows plak je via een kleine omweg op de opdrachtregel.

 

 

 

 

Windows 10 introduceert wat nieuwe functies voor Opdrachtprompt. U kunt kopiëren en plakken met respectievelijk Ctrl+C en Ctrl+V en het venster van Opdrachtprompt transparanter maken met de toetscombinatie Ctrl+Shift+Plusteken. Om alle nieuwe mogelijkheden te bekijken, opent u Opdrachtprompt en klikt u rechts op de titelbalk. Kies voor Eigenschappen en klik onder het tabblad Opties op Meer informatie over nieuwe functies van de console.

Wanneer u de Opdrachtprompt opent, komt u in een venster met witte letters op een zwarte achtergrond, maar dat is aan te passen. U wijzigt de kleuren met het color-commando (dat u zoals alle commando's afsluit met Enter): color 1E bijvoorbeeld geeft blauwe letters op een lichtgele achtergrond. Het commando color /? biedt een overzicht van de beschikbare kleuren. Met het commando cls maakt u het venster leeg. Met exit sluit u het venster. Wilt u tekst uit Windows in zo'n opdrachtprompt­venster plakken, kopieer die tekst dan eerst met Ctrl+C naar het klembord, klik vervolgens met de rechter muisknop op de titelbalk van het opdrachtprompt­venster en kies Bewerken > Plakken.

Enkele bekende commando's

ipconfig

Een snelle manier om informatie over het thuisnetwerk op te vragen, is via het commando ipconfig. U krijgt dan onder meer te zien welke (al dan niet draadloze) LAN-adapters actief zijn, welk IP-adres die adapters hebben en wat het adres van uw standaardgateway (oftewel router) is, zodat u dit adres in de browser kunt intikken om naar de webinterface van dat apparaat te gaan. Een ipadres bestaat uit 4 getallen tussen de 0 en 255, gescheiden door een punt. Wilt u ook de DNS-server(s) en de MAC-adressen van de netwerkadapters weten en weten of DHCP actief is, gebruik dan ipconfig /all. Verder kan het bij connectie­problemen helpen om even alle adressen vrij te geven met ipconfig /release en die opnieuw in te stellen met ipconfig /renew.

Er is een adres dat u altijd heeft, de zogenaamde "loopback interface", die naar uw eigen computer verwijst. In IPv4 krijgt dit volgens afspraak het IP-adres 127.0.0.1, in IPv6 ::1. Een andere naam daarvoor is localhost. Localhost verwijst dus naar uw eigen computer met ip-adres 127.0.0.1. Vandaar dat u ook deurmatten kunt kopen ‘there is no place like 127.0.0.1’

Behalve het ip-adress is het van belang dat u het netmask weet. Dat is een binair getal dat wordt gebruikt om een scheiding, ofwel subnet aan te brengen in de IP-adressering. De IP-adressen binnen dit subnet vallen binnen hetzelfde broadcast-domain. Dit heeft tot gevolg dat een broadcast niet over het gehele internet wordt verzonden. Het netmask (ook wel netwerkmasker of subnetmask genoemd) geeft aan welke pc's in hetzelfde netwerk zitten.
Van de 4 door punten gescheiden getallen geven een aantal het netwerk aan en een aantal (vaak alleen de laatste) het computernummer in het netwerk
Het netmask geeft aan dat de getallen waarvan het netmask 255 is, behoren tot hetzelfde netwerk.

Een voorbeeld

Stel, een computer heeft ip-adres 192.168.2.101 en netmask 255.255.255.0. Dat betekent dat hij een computer met ipadres 192.168.2.1 herkent als deel bij het eigen netwerk, maar een pc met adres 192.168.1.1 niet.

De broadcast ( bijvoorbeeld 192.168.2.255) is het netwerkadres met als laatste 255, via dit adres worden boodschappen verspreid waar alle computers in het netwerk naar luisteren.

letop.pngHet verhaal hierboven is wat kort door de bocht. Voor meer informatie kunt u deze toelichting lezen.)

Ping

Waarschijnlijk is ook het ping-commando wel bekend. Ping ("Pingen"): Met dit commando komt u netwerkproblemen op het spoor. Het werkt als volgt. Zodra u een ander IP probeert te "pingen", verstuurt u een klein data pakketje. Vervolgens wacht u op een reactie van dat andere IP adres. Als u IP adressen kunt "pingen" (en dus reactie krijgt), is in ieder geval uw internetverbinding actief. Voert u bijvoorbeeld ping https://­infokompc.000webhost­app.com uit, dan geeft de zo aangesproken webserver viermaal een antwoord.

Het gebeurt wel eens in een netwerk dat een apparaat plotseling niet meer reageert. Om te achterhalen of er nog een netwerkverbinding bestaat tussen de pc en dat apparaat gebruikt u het ping-commando gevolgd door de computernaam of het IP-adres van dat apparaat (bijvoorbeeld ping muziekpc-1 of ping 192.168.0.5). Als het goed is, krijgt u vier antwoorden. Is dat niet zo, controleer dan de fysieke aansluiting of de netwerkconfiguratie. In veel gevallen kunt u ook externe servers testen (zoals ping www.google.nl). Kunt u wel een extern IP-adres pingen (zoals ping 8.8.8.8), maar niet de URL, dan is er mogelijk een probleem met de DNS-service.

Internet­connectie

Er is ook een commando waarmee u kunt nagaan hoever de verbinding tussen uw eigen pc en de beoogde server op het internet reikt. Immers, tussen uw pc en zo'n server liggen vaak heel wat 'knooppunten' (zoals routers) en het valt niet uit te sluiten dat d verbinding hapert bij een van die knooppunten. Probeer het maar eens uit met het volgende commando: tracert https://­infokompc.000webhost­app.com. Zo'n commando is trouwens erg informatief, u kunt nagaan langs welke route(rs) uw verzoek zoal loopt. Overigens bevatten moderne Windows versies ook het commando pathping, een combinatie van ping en tracert. Na de tracering en enig geduld volgen dan de reacties.

Traceroute: U staat voor een raadsel. U vraagt een pagina op, de internetverbinding is actief maar het scherm blijft leeg. In zo'n geval kunt u het commando traceroute gebruiken. Door een website te "tracen" krijgt u de route te zien die uw aanvraag volgt. U kunt dan zien waar uw aanvraag blijft hangen, want na het laatst "getracete" adres staan sterretjes.

chkdsk (Check Disk): Deze functie kijkt na of het problemen kan vinden op de harde schijf. Zorg voor het nodige geduld, want deze controle kan lang duren.

Opdrachten beëindigen: Tussentijds beëindigen van een opdracht kan met de toetscombinatie Control (ctrl) + C.

Scherm leeg maken: Heeft u veel opdrachten achter elkaar uitgevoerd? Dan kan het scherm er rommelig uitzien. U kunt een nieuw venster starten, maar ook het commando cls gebruiken. CLS (Clear Screen) maakt het scherm leeg.

Tikfout herstellen: Heeft u een tikfout gemaakt in een commando en al op Enter gedrukt? U hoeft u niet alles opnieuw te typen. Met de pijltjes toetsen haalt u eerder gebruikte commando's terug.

Mapinhoud opvragen

Stel, u wilt de inhoud van map c:\hoofdmap\submap opvragen. Dat kan met het dir-commando: dir c:\hoofdmap\submap. Of u gaat naar de gewenste map met cd hoofdmap, gevolgd door cd submap, waarna u dir uitvoert. Het dir-commando heeft een aabtal parameters, die ziet u met dir /?. Wilt u bijvoorbeeld de inhoud sorteren op datum (meest recente bestanden eerst), dan doet u dat met dir /O-D. De parameter /? kunt u trouwens bij vrijwel alle commando’s gebruiken om meer uitleg te krijgen. Om een venster weer leeg te maken gebruikt u het cls-commando (clear screen).

letop.pngLet op het verschil tussen dir *, dir /A * en dir /B *. Dir /A toont ook verborgen (systeem)bestanden en dir /B beperkt de uitvoer tot de bestandsnamen zonder verdere gegevens.

U kunt Opdrachtprompt meteen openen met de juiste locatie.

Afdrukken van de mapinhoud kan door achter het commando bijvoorbeeld >mapinhoud.txt toe te voegen. Daarna kunt u met Kladblok het txt-bestand openen en afdrukken.

Verborgen datastromen

windosprompt2.png

Met het dir /R-commando maak je verborgen datastromen zichtbaar.

 

 

 

Velen weten niet dat Windows verschillende 'datastromen' aan een bestand koppelt. Zo'n extra datastroom kunt u gebruiken om gegevens in een bestand te verbergen. Het volgende experiment maakt dat duidelijk. Maak (met Kladblok) een document dat u wilt verbergen, bijvoorbeeld geheim.txt. Vervolgens voert u in die map het volgende commando uit: type geheim.txt > blabla.txt:verborgen.txt. Hiermee neemt u geheim.txt als ADS-data (alternate data streams) op in het (ogenschijnlijke lege) bestand blabla.txt. Het bestand geheim.txt kunt u nu verwijderen (bijvoorbeeld met del geheim.txt). Voert u een dir-commando uit, dan lijkt blabla.txt leeg. Echter, via het commando dir /R krijgt u alsnog die verborgen datastroom te zien. Om de inhoud van die datastroom te zien voert u het volgende commando uit: "c:\system32\notepad.exe" blabla.txt:verborgen.txt.

Symbolische links (Symlinks)

windosgelinkt.png

Gelinkte mappen kunnen handig zijn om sneller diep geneste mappen te bereiken.

 

 

 

 

Bent u bekend met zogenoemde symbolische links (kortweg symlinks)? Een symbolische link is een koppeling naar een map of bestand. Die koppeling kunt u zetten waar u wilt. Het verschil met een snelkoppeling is, een symbolische link is niet te onderscheiden van de map of het bestand zelf. Als u een symbolische link maakt naar D:\Vakantie in de map C:\Gebruiker\Afbeeldingen, dan lijkt het alsof er een map C:\Gebruiker\Afbeeldingen\Vakantie bestaat, maar in werkelijkheid bevindt die map zich op de D-schijf.

Een van de voordelen van een symbolische link is dat het mogelijk wordt om elke map met bijvoorbeeld Dropbox te synchroniseren. Voor Dropbox lijkt het dan alsof die map zich in de Dropbox-map zelf bevindt, terwijl die in werkelijkheid op een andere locatie staat. Hetzelfde geldt voor de andere clouddiensten. Soms is het handig om een symbolische link aan te maken om even twee mappen bij elkaar te kunnen zetten of eenvoudig toegankelijk te maken.

Stel, u heeft vaak toegang tot een bepaalde map nodig. Dat is lastig, wanneer die map diep genest zit. Dat lost u op door een koppeling naar die map te maken. Ga als administrator naar de opdrachtprompt en over het volgende commando uit: mklink /J <pad_naar_map_y> <pad_naar_map_x> (plaats de paden tussen dubbele, rechte aanhalingstekens als er spaties in voorkomen). U zult merken: alle data die in <map y> belanden, automatisch (ook) in <map x> terecht komen. Bijvoorbeeld, u gaat als administrator naar de opdrachtprompt en voert het commando mklink /J c:\snelmap "d:\map1\­submap\subsubmap" uit. Wanneer u vervolgens gegevens opslaat in de map c:\snelmap, dan komen die gegevens automatisch (ook) terecht in die diep geneste map. Naderhand kunt u de 'linkmap' (c:\snelmap) weer verwijderen als u dat wilt. De data in de diep geneste map blijven behouden. Let wel: wanneer u bestanden uit die linkmap verwijdert, dan verdwijnen die ook uit de diep geneste map.

symboliclink.png

Verwant hiermee is het commando mklink /D, waarmee u in een bepaalde map een of meer links maakt die telkens naar een andere map verwijzen. Alle gegevens in die mappen, zijn dan in één keer bereikbaar door naar de map met die link(s) te gaan. Dat is handig als u voor een project geregeld gegevens nodig hebt die over diverse mappen verspreid zijn. De werkwijze is als volgt. Vanuit een (lege) map: mklink /D financieel <pad_naar_eerste_map>, mklink /D logistiek <pad_naar_tweede_map> enzovoort.

Voor het gemakkelijker aanmaken van symbolische links kunt u gebruik maken van de Link Shell Extension voor Windows Verkenner. U downloadt dat instrument vanaf deze website. Klik op Link Shell Extension en voer het gedownloade bestand uit. Let op dat u voor Windows 7 en 8 ook het bestand vcredist binnenhaalt en installeert. In Windows 10 is dat al aanwezig. Klik na het openen op OK en klik op Install. Kies voor Yes om even de Windows Verkenner opnieuw te openen. U kunt nu met de rechter muisknop op een map of bestand klikken en kiezen voor Pick Link Source. Dat is de map waar u naartoe wilt linken. Blader vervolgens naar de map waar de link moet komen en klik op Drop As… en kies voor Symbolic Link.

U kunt een Symbolic Link verwijderen, zonder dat het origineel verdwijnt. In het menu van Drop As kunt u ook kiezen voor een Hard Link. Zo’n link kan alleen gemaakt worden op dezelfde schijf. Het voordeel is als u bijvoorbeeld D:\Vakantie verwijdert, kunt u de foto’s nog steeds benaderen via de hard link in C:\Gebruikers\Gebruiker\Afbeeldingen\Vakantie. Het bestandssysteem, NTFS, zal de foto’s pas echt verwijderen als ook die hard link is verwijderd.

Services

windosservices.png

Services snel stoppen en weer starten met een eenvoudig commando.

 

 

 

 

U weet vast dat er heel wat services op de achtergrond actief zijn in Windows. Het commando net start vertelt welke services. Nu is het ook mogelijk services vanuit de opdrachtprompt stop te zetten en (weer) op te starten. Stel, u wilt voorkomen dat Windows zomaar uw pc zou herstarten omdat er updates klaar staan, dan schakelt u die service uit met net stop wuauserv.

U activeert een service met net start, gevolgd door de naam van de service.

Backups en kopieën

Kopiëren van mappen en bestanden voert u waarschijnlijk uit via de Verkenner. Dat kan, maar de opdracht robocopy biedt meer mogelijkheden. Dat is te zien in het parameter­overzicht. Een paar voorbeelden.

Met het commando robocopy "c:\mijn documenten" f:\ /MIR wordt de bronmap (c:\mijn documenten) automatisch naar de doelmap gespiegeld (MIRrored). Pas wel op: als u het commando niet door de parameter /XX laat volgen, worden tijdens deze back-upoperatie de al bestaande gegevens in de doelmap verwijderd. Ook nuttig om weten: de parameter /SEC zorgt ervoor dat de originele machtigingen behouden worden in de doelmap. Met /LOG:<tekstbestand> houdt u een logboek van de operatie bij.

Sommige robocopy-opdrachten kunnen door de talrijke parameters behoorlijk ingewikkeld worden. Maar er is een mogelijkheid om die opdrachten te bewaren door achteraan /SAVE:<jobnaam> toe te voegen. Om diezelfde opdracht naderhand weer uit te voeren tikt u dan robocopy /JOB:<jobnaam> in.

Gedeelde bronnen

windosgedeeld.png

Gedeelde bronnen bekijken, aanmaken en verwijderen.

 

 

 

 

In Windows kunt u bronnen als printers en mappen delen. Wilt u snel een overzicht krijgen van gedeelde bronnen in uw netwerk, voer dan het commando net view in, bijvoorbeeld net view \\redactiepc1. Die computernaam leest u in het venster dat u te zien krijgt wanneer u Windows-toets+Pause indrukt.

Met het commando net share krijgt u snel een overzicht van alle gedeelde mappen op uw pc. Om meer informatie over een share te krijgen, voert u de opdracht net share <sharenaam> uit als administrator. U komt dan onder meer te weten het maximum aantal gebruikers dat deze share tegelijkertijd mag benaderen, evenals de machtigingen op deze share.

Een gedeelde netwerkschijf aan een vrije stationsletter koppelen kan met net use x: \\<computernaam>\<sharenaam> <eventuele_wachtwoord> (de computernaam vindt u bijvoorbeeld via Windows-toets+Pause). Als u die koppeling permanent wilt maken, dan voegt u achter het commando /persistent:yes toe (waarbij u x: vervangt door de gewenste stationsletter).

Een nieuwe gedeelde netwerkmap maakt u met een commando als net share videos="c:\media\persoonlijk\­video filmpjes". Die gedeelde netwerkmap verwijdert u weer met net share videos /delete.

Accounts beheren

windosbeperking.png

Gebruikers kunnen zich alleen binnen bepaalde tijdstippen aanmelden.

 

 

 

 

Via Windows Gebruikers accountsbeheer voert u allerlei beheertaken voor Windows-accounts uit. Maar sommige taken kunt u alleen (of sneller) vanuit de opdrachtprompt uitvoeren. Wilt u een bepaald account tijdelijk op non-actief zetten, dan volstaat een opdracht als net user /active:no (vervang no door yes om het weer te activeren). Of u zorgt ervoor dat een account zich alleen op bepaalde tijdstippen bij Windows kan aanmelden: net user /times:ma-vr,5pm-7pm;za-zo,10am-8pm. Met net user controleert u of de opdracht geslaagd is.

letop.pngVergeet bij deze commando's de slash niet (voor active en times), anders denkt Windows dat u het wachtwoord van het account wilt aanpassen.

In het icacls-commando lees je acl. Dat staat voor "access control lists" oftewel ntfs-machtigingen

Om de huidige machtigingen voor een map of bestand te achterhalen volstaat het commando icacls <naam_van_map_of_bestand>. U kunt ook alle huidige machtigingen van alle bestanden in een bepaalde map en bijhorende submappen bewaren. Bewaren van die machtigingen gaat als volgt icacls <pad_naar_map>\* /save aclbestand /T. Om de machtigingen die u in het bestand aclbestand heeft bewaard snel terug te zetten, voert u als administrator het commando icacls <pad_naar_map> /restore aclbestand uit. Om de machtigingen voor een bestand door andere te vervangen, gebruikt u bijvoorbeeld het commando icacls <bestandsnaam> /grant:r <gebruikersnaam>: F (F staat voor Full access).

letop.png Als u de parameter :r (replace) achter grant weglaat, worden de nieuwe machtigingen aan de al bestaande toegevoegd in plaats van die te vervangen.

Shares

Met het commando net share krijgt u een overzicht van alle gedeelde mappen op uw systeem. Wilt u meer informatie over de shares op te vragen, voer dan de opdracht net share <sharenaam> als administrator uit. U ziet dan onder meer het maximum aantal gebruikers dat deze share tegelijkertijd mag benaderen, evenals de machtigingen op deze share. Een nieuwe share maken gaat met een opdracht als net share fotos="c:\mediabestanden\mijn fotos". Wilt u de share weer verwijderen dan zorgt net share fotos /delete daar voor. Een gedeelde netwerkschijf aan een vrije stationsletter koppelen kan met net use x: \\<computernaam>\<sharenaam> <eventuele_wachtwoord> (de computernaam vindt u bijvoorbeeld via Windows-toets+Pause). Wilt u deze koppeling permanent maken zodat die ook bij een volgende Windows-sessie actief blijft, voeg dan /persistent:yes toe achteraan het commando.

DNS

Wanneer u een webadres (URL) in uw browser invult, dan zorgt een DNS (Domain Name Service) ervoor dat het netjes aan het bijhorende IP-adres wordt gekoppeld, zodat uw browser een verbinding kan maken met de webserver. Kunt u nog wel IP-adressen, maar geen URL's meer bereiken, dan helpt het nslookup-commando om de werking van de DNS-server te controleren. Voer nslookup uit en tik vervolgens server in, gevolgd door de naam of het IP-adres van de DNS-server die u wilt testen. Druk nu op de Enter-toets en vul een willekeurig webadres in, zoals http://www.infocomputer.­webege.com/. Krijgt u nu time-outs te zien, dan is er blijkbaar een probleem met de ingestelde dns-server.

Netwerk­verbindingen

windosnetstat.png

Netstat kan je helpen bij het analyseren van het netwerkverkeer.

 

 

 

 

Het commando netstat geeft een overzicht van de actieve verbindingen, inclusief IP-adres en poortnummer van zender en ontvanger. Voer ook eens de opdracht netstat /? uit om een idee te krijgen van de talrijke parameters. Het commando netstat -s biedt een statistisch overzicht per netwerkprotocol (IP, ICMP, TCP en UDP). Dat kan helpen bij het oplossen van netwerkproblemen. Met netstat -o krijgt u de PID (process identifier) te zien van de processen. Via Windows Taakbeheer, als u daar Beeld > Kolommen selecteren > Proces-id selecteert, kunt u vervolgens achterhalen welke toepassingen daarvoor verantwoordelijk zijn.

Kopieer­operaties

windoscopy.png

Robocopy kan ook de meest complexe kopieeroperaties aan.

 

 

 

 

Bestanden en mappen kopieert u waarschijnlijk via Verkenner. Veel mogelijkheden biedt die omgeving niet, zeker niet wanneer u die mogelijkheden vergelijkt met het commando robocopy. Via robocopy /? krijgt u een overzicht van het indrukwekkend aantal parameters. Eén voorbeeld: met robocopy c:\media g:\backup\media /MIR (MIR staat voor mirror) wordt de bronmap (c:\media) automatisch gespiegeld met de doelmap (g:\backup\media). U kunt ook opdrachten op slaan. U hoeft hiervoor maar de parameter /SAVE: toe te voegen. Met het commando robocopy /JOB: voert u die opdracht dan opnieuw uit.

In batchbestand

windosbatch.png

U kunt verschillende opdrachten in een enkel batch-bestand opnemen.

 

 

 

Een belangrijk voordeel van opdracht­regelcommando's is ook dat u verschillende opdrachten na elkaar in een batchbestand kunt opnemen, zodat die één voor één worden uitgevoerd zodra u het batchbestand aanroept (dat laatste kan overigens ook via de taakplanner van Windows). Een batchbestand is een tekstbestand met de extensie .bat of .cmd, dat u bijvoorbeeld met Kladblok aanmaakt.

Een voorbeeld:

cls
robocopy c:\media g:\backup\media
del c:\media\*.* /Q
pause

Met het del-commando verwijdert u, zonder een vraag ter bevestiging, alle bestanden uit c:\media (nadat u die dus met het robocopy-commando heeft gekopieerd).

Meer informatie over de mogelijkheden en syntaxis van batchbestanden vindt u in deze cursus.

Aanmelden via batchbestand

aanmeldscript.png

Tijdens het inloggen een gebruiker automatisch
aanmelden via een batchbestand

Het is ook mogelijk een batchbestand (of een ander script) automatisch te laten uitvoeren zodra een bepaalde gebruiker zich bij Windows aanmeldt. Dat kan in Windows Professional of hoger door Windows-toets+R in te drukken en vervolgens de opdracht lusrmgr.msc uit te voeren. Daarna klikt u de gewenste gebruiker aan en opent u het tabblad Profiel. Hier vult u dan de naam van het batchbestand in. U kunt het ook regelen vanuit de opdrachtregel, zelfs in de Home-versie van Windows. Dat gaat via het commando net user <gebruikersnaam> /scriptpath:<naam_van_batchbestand>. U moet dat batchbestand wel in een gedeelde map zetten met de sharenaam netlogon. Zorg er bovendien voor dat die gebruiker minimaal leesrechten op die map krijgt toegekend.

Batchbestand via Taakplanner

Met Taakplanner kunt u een batchbestand (of een ander script of programma) ook laten uitvoeren tijdens het opstarten, op een bepaalde tijd, bij het vergrendelen van het systeem enz. U wilt bijvoorbeeld elke vrijdag­namiddag een batchbestand laten uitvoeren dat een schijfopruiming start. In dat batchbestand gebruikt u (onder meer) het commando cleanmgr /sagerun:1, nadat u cleanmgr /sageset:1 vooraf één keer vanuit de opdrachtregel heeft uitgevoerd en daar de gewenste opties heeft ingesteld. Voor meer uitleg over deze commando's zie deze website.

Een voorbeeld:

Klik het vergrootglas­pictogram aan in de Windows taakbalk en zoek naar taak. Start Taakplanner en klik in het rechter paneel op Taak maken (Basistaak maken kan ook, maar dat biedt u minder mogelijkheden). Geef de taak een naam en zet desgewenst een vinkje bij Uitvoeren ongeacht of gebruiker wel of niet is aangemeld. Open het tabblad Triggers, druk op de knop Nieuw en kies (bijvoorbeeld) Gepland bij Start deze taak. Vervolgens stelt u het gewenste tijdstip en de frequentie in (bijvoorbeeld Elke 1 vrijdag, om 16:00). Bevestig met OK en open het tabblad Acties. Klik hier op Nieuw en verwijs via Bladeren naar het batchbestand. Bevestig met OK (2x) en vul zonodig uw wachtwoord in. Als het goed is vindt u de taak terug in het linker paneel bij Task Scheduler-bibliotheek.

Powershell

De ingebouwde opdrachtprompt in Windows is behoorlijk Spartaans. U kunt ook de geheel nieuwe opdrachtregel-omgeving PowerShell gebruiken. PowerShell is de command-line-interface van Windows waar u tekstopdrachten aan het besturingssysteem geeft. Deze scripting-omgeving is veel krachtiger dan de traditionele opdrachtprompt, maar tegelijk ook veel complexer. U start die omgeving door het commando powershell uit te voeren in een opdrachtvenster of u voert het programma PowerShell ISE (Integrated Scripting Environment) uit als u prijs stelt op een grafische scriptomgeving.

Het PowerShell-venster is op de knipperende prompt helemaal leeg. Achter de prompt kunt u een commando typen dat na een druk op Enter door de computer wordt uitgevoerd.

Om te zien welke versie van PowerShell u gebruikt, typt u het commando host en drukt u op Enter. Eigenlijk geeft $host niet de versie van powershell, het geeft de versie van de host die op zijn beurt PowerShell "hosts". U kunt ook $psversiontable gebruiken. Bij Version ziet u nu de versie van de Powershell host. Om Powershell te sluiten gebruikt u het commando Exit gevolgd door een druk op Enter. Met de pijltjestoets omhoog en omlaag kunt u door eerder gebruikte commando's bladeren.

Een opdracht die PowerShell kan uitvoeren, heet een cmdlet (command-let). Daarvan bestaan duizenden varianten. Om ze allemaal te zien, gebruikt u het commando Get-Command. Na de Enter stroomt er een lange lijst over het scherm. Blader er doorheen en u ziet dat de naam van een cmdlet meteen ook beschrijft wat het commando doet. De naam begint altijd met een bewerking, dan een streepje en dan het onderdeel waar het commando op uitgevoerd moet worden, bijvoorbeeld Get-Printjob of Set-Date.

Als administrator uitvoeren

Wanneer u PowerShell start, krijgt het programma dezelfde rechten als uzelf. Voor veel taken heeft PowerShell administrator rechten nodig. PowerShell starten met de extra rechten van een beheerder kan door met de rechter muisknop op de PowerShell-koppeling te klikken en te kiezen voor Als administrator uitvoeren. Als PowerShell met extra rechten is gestart, ziet u dat in de titelbalk, daar staat dan in plaats van Windows PowerShell, Administrator: Windows PowerShell. U kunt dit ook standaard inschakelen door met rechts te klikken op de snelkoppeling, klik dan op Eigenschappen > Snelkoppeling > Geavanceerd > Als administrator uitvoeren.

Extra parameters

De cmdlets kunt u aanvullen met parameters. De parameters bieden de mogelijkheid de uitvoering van de cmdlet te sturen. Een parameter begint altijd met een spatie en een streepje met de naam van de parameter er aan vast, dan een spatie en dan de invulling van de parameter.

Bijvoorbeeld Get-Process geeft een overzicht van alle actieve processen met hun geheugen en processorgebruik, maar Get-Process -ProcessName explorer geeft dat alleen voor het proces met de naam explorer.

Knippen en plakken

Met een paar parameters erbij wordt een PowerShell-commando al snel lang en complex. Bovendien zult u veel gebruikte commando's al snel willen bewaren in een document buiten de console om ze via kopiëren en plakken gemakkelijk te kunnen hergebruiken. Om tekst in de console te selecteren, gebruikt u de muis.

Is de selectie gemaakt, dan is Enter voldoende om het te kopiëren. Om tekst te plakken in de console, is een klik met de rechter muisknop voldoende. De bekende toetscombinaties voor knippen, kopiëren en plakken werken niet in de PowerShell-console.

Helpfunctie

PowerShell beschikt over uitgebreide helpfuncties. Om uitleg te krijgen bij een cmdlet gebruikt u Get-Help, bijvoorbeeld Get-Help -Name Get-Process. Voor uitleg over de concepten van PowerShell of taalspecifieke zaken is er Get-Help About_ zoals Get-Help About_Modules. De uitleg die PowerShell geeft komt van het internet, maar is gedownload naar de computer. Met Update-Help kunt u de gedownloade uitleg updaten. Is de uitleg te lang en vliegt die over het scherm, gebruik dan de toevoeging | more om het te doseren, bijvoorbeeld Get-Help -Name Get-Process | more.

De output stopt dan als het beeld vol is en gaat als u Enter drukt een regel verder, of als u de spatiebalk indrukt een heel beeld verder. Dat |-teken heet een pipe of het sluisteken. U kunt de uitleg ook direct online lezen met de parameter -online, bijvoorbeeld Get-Help -online Get-Process. PowerShell opent dan de juiste webpagina van Microsoft TechNet meteen in de browser.

Bij het invoeren van commando's kunt u in de console gebruik maken van een aantal trucjes. De eerste is tab-completion, dat wil zeggen, als u het eerste deel van een opdracht typt en dan de Tab-toets indrukt, wordt het commando aangevuld. Is er maar één vervolg mogelijk, dan komt dat er te staan, zijn er meer mogelijkheden dan drukt u net zo vaak de Tab-toets in tot de juiste aanvulling er staat. Dus met Get- en de Tab-toets bladert u door alle Get-commando's.

Dat werkt ook bij argumenten. Dat werkt sneller en u maakt minder fouten. U kunt ook gebruik maken van wildcards om delen van tekst te vervangen. Zoekt u informatie over Outlook, dan hoeft u geen Outlook te typen maar volstaat Outl*. Een sterretje (*) geeft aan dat alles wat daarna komt akkoord is, terwijl een vraagteken (?) aangeeft dat op die plek in de opdracht elk willekeurig ander teken akkoord is.

PowerShell ISE

Het PowerShell-team binnen Microsoft wilde de console nog veel beter maken, maar werd daarbij door het Windows-team gehinderd. Dus besloten ze een eigen PowerShell-programmeer­omgeving te bouwen. Dat werd PowerShell ISE: de Integrated Scripting Environment. U kunt die starten net als elk ander Windows programma via het startmenu of met het commando ISE vanuit de PowerShell-console. ISE combineert het consolevenster met een bibliotheek waarin alle cmdlets staan. Mocht u die niet zien, via View > Show Command Add-on schakelt u die in. Bovendien werkt de tab-completion hier nog beter, u krijgt tijdens het typen al de mogelijkheden te zien waarmee u het commando verder kunt uitbouwen. Er is een menu- en knoppenbalk met opties en zoals u in het menu Edit kunt zien, werken plakken, knippen en kopiëren in ISE wel op de standaard Windows-manier.

Hangend process stoppen

PowerShell is ook goed te gebruiken voor systeembeheer. Hangt er bijvoorbeeld een proces, dan kunt u dat via het Taakbeheer opzoeken en afsluiten.

Via Get-Proces ziet u alle draaiende processen. Via Get-Process en dan de naam van het proces, ziet u de informatie voor dat ene proces. Dus Get-process Outl* geeft de status van het programma (proces) Outlook. Lees de ID af en met het commando Stop-Process -id en dan het ID-nummer van Outlook sluit u in één keer de hangende Office-applicatie af.

Programma's zoeken

Wanneer er geen snelkoppeling op het bureaublad staat, kan het starten van een programma veel klikken kosten. Dat gaat sneller via de PowerShell. Met Start-Process kunt u een programma starten, bijvoorbeeld Excel via Start-Process Excel.

Zien welke programma's allemaal geïnstalleerd zijn, is iets omslachtiger. Windows kent namelijk vele soorten programma's.Om de normale Windows-programma's te zien gebruikt u Get-WmiObject -Class Win32_Product of Get-StartApps voor alle Metro-Apps op de pc. Om een bepaald programma of Metro-App te zoeken maakt u gebruik van de mogelijkheid commando's na elkaar te gebruiken via het |-teken. Get-StartApps | where name -like "b*" toont alle applicaties die beginnen met de letter 'b'. Het deel na de verticale streep gebruikt de uitkomst van het deel voor de streep als input voor de eigen verwerking.

Overzicht van services en status

Om de services te zien die gestopt zijn gebruikt u het commando Get-Service | Where-Object {$_.Status -eq "Stopped"} of met de parameter "Running" voor alle actieve services.

Informatie over netwerkadapters

Get-NetAdapter cmdlet geeft een overzicht van de netwerkkaarten in de pc, merk en model, de status van de verbinding en het MAC-adres en de snelheid. Een overzicht van alle geavanceerde instellingen die diep weggestopt in Windows zitten, krijgt u via Get-NetAdapterAdvancedProperty en middels een streepje kunt u de output beperken tot alleen de actieve netwerkkaart, bijvoorbeeld Get-NetAdapterAdvancedProperty | where name -like "Ethernet 2" als Ethernet 2 de actieve netwerkkaart is. Via Get-NetConnectionProfile ziet u of het netwerk dat de kaart gebruikt, als openbaar, werk of privé is aangemerkt.

DOS-commando's gebruiken

In de PowerShell-console kunt u bijna alle 'oude' DOS-commando's gebruiken, zoals ping en ipconfig. Alleen interactieve DOS-commando's zoals nslookup werken daar niet. Het PowerShell-alternatief voor ipconfig is Get-NetIPAdress. Of via Get-NetIPAddress | where InterfaceAlias -eq "Ethernet 2" als u alleen de IP-configuratie van netwerkkaart 2 wilt weten.

Waar de uitkomst van ipconfig alleen 'domme' tekst is, kunt u die van het krachtigere PowerShell-commando altijd weer gebruiken om uitbreidingen te maken zoals filteren op een van de kenmerken.

PowerShell bronnen op internet

Op internet is veel informatie te vinden over PowerShell. Allereerst op de Microsoft-website en de PowerShell Team weblog.

Ook YouTube is een goede plek om uitleg te vinden voor PowerShell. Veel van de video's zijn nog voor oudere versies van PowerShell, maar zoeken op 'PowerShell introduction' en 'PowerShell beginner' geeft goede resultaten om met PowerShell te beginnen. Wel gaat veel informatie over scripting (het combineren van cmdlets tot miniprogramma's), maar ook over slim gebruik van cmdlets voor alledaags computergebruik is veel te vinden.