© 2011 Dr. J.C. van Aart. U mag artikelen of delen hieruit elders publiceren, maar graag met vermelding van het copyright en een werkende link naar mijn website: z-drenthe-hulp.hcc.nl

meeting

Politieke debatten

Van politici en andere spelers in de politieke arena, zoals (pers)voorlichters bij de overheid, wordt verwacht dat zij de verschillende vormen van mondeling taalverkeer kunnen hanteren. Maar die vaardigheid wordt helaas ook gebruikt om de burger met kluiten in het riet te sturen, om alleen de eigen belangen te verdedigen of om recht te praten wat krom is. De dagelijkse praktijk leert dat in onze overlegcultuur zelfgenoegzame gladpraters en starre belangenbehartigers veel ruimte krijgen.

Het minste wat van volksvertegenwoordigers verwacht mag worden is dat ze begrijpelijk spreken en zich ten doel stellen door de burgers goed verstaan te worden. Maar politici lijken er vooral op uit om te scoren in de media en niet te veel af te wijken van de waan van de dag. Effectbejag en imagebuilding winnen het te vaak van serieuze analyse en samenhang. Steeds minder mensen herkennen zich in wat hun politici zeggen en besluiten. De politiek tracteert de burger op verhullende one-liners of met woordenstromen die doorweven zijn met trucs die een helder zicht op de bedoelingen van de spreker eerder belemmeren dan vergroten. Wanneer de burger geen tegenspel kan bieden, delft hij in discussies het onderspit.

De bekende pessimist Arthur Schopenhauer (1788-1860) erkent dat de meest zekere manier om de overhand in een dispuut te krijgen is om gelijk te hebben. Maar hij voegt er aan toe dat dit op zichzelf niet genoeg is bij de bestaande gezindheid van de mensen en anderzijds ook helemaal niet nodig, gezien de zwakheid van het menselijk verstand. Of het peil van onze discussies in onze tijd veel verbeterd is, lijkt twijfelachtig. Bij alle verwarring en luidruchtigheid in de Kamers van het parlement, in de hoofdartikelen van kranten, bij radio en Tv, op aanplakborden en in de reclame zou alleen een kind of een heilige nog verwachten dat de waarheid overheerst. De leugen regeert als luidruchtigheid en verwarring aan haar kant staan. Bij een televisiedebat gaat het minder om de kracht van de argumenten, maar meer om de vorm. Een vlotte prater niet gehinderd door te veel kennis met de juiste uitstraling en enige televisie-ervaring zal het in een televisiedebat kunnen winnen van een deskundig en vlijmscherp debater met een stoppelbaard. Een scherp debater, hoe effectief ook in de argumentatie, maakt op de kijkers en toehoorders al snel de indruk van een onaangename ruziezoeker. Wie een televisiedebat wil winnen, kan het best rustig en vriendelijk blijven en zijn eigen boodschap in eenvoudige bewoordingen voortdurend herhalen.

- Voor wie een discussie volgt, is het moeilijk, vooral bij ontbrekende kennis van zaken, om goede van slechte argumenten te onderscheiden. Toch is het ook bij volledige onwetendheid over een onderwerp mogelijk om te beslissen wie gelijk heeft, want vooringenomen politici herkent u aan hun manier van argumenteren.

- De geestelijke horizon van vooringenomen politici reikt niet verder dan de tekst van het partijprogramma. Moeten zij over die drempel heen, dan verliezen zij hun zelfbeheersing. Onbeheerst optreden is een vast kenmerk van de vooringenomen politicus.

- Vooringenomen politici zijn bang voor alles wat buiten hun politieke mantra valt. Daarom proberen ze een ongewenst verloop van een gesprek te stigmatiseren en afzienbare gespreksresultaten te demoniseren. Hierbij horen de nazi- en racismebeschuldiging.

- De vooringenomen politicus kan geen onderscheid maken tussen het zakelijke en relatie niveau. De vertolker van een door hem of haar niet gedeelde mening is bij voorbaat slecht en vertegenwoordigt het absolute kwaad. De voorgingenomen politicus voelt de gespreksopponent als persoonlijke vijand en laat dat ook zien door zijn aanvallen.

- De vooringenomen politicus houdt nooit rekening met de mogelijkheid dat hij zich vergist en zich daarna kan verbeteren. Zijn religie of wereldbeeld is per definitie absoluut vrij van vergissingen.

- Vooringenomen politici zijn geestelijk achtergebleven, onzeker van zichzelf, bot en lomp. De insinuatie van een lager karakter bij de opponent is bij hen standaard, grove beledigingen monden soms uit in lichamelijk geweld.

- De vooringenomen politicus bekritiseert alleen maar anderen, begrijpt ironie niet en is altijd duidelijk als een vuistslag in het gezicht. Iedere afwijking van zijn religie of wereldbeeld bedreigt zijn hele existentie.

- De vooringenomen politicus wil de dictatuur, het liefst met hem of haar als de dictator.

- De vooringenomen politicus kent slechts twee argumenten, het verbale en het fysieke geweld. Hij heeft niets anders geleerd.

Debat met de burger

Discussietrucs hebben niet altijd het doel om de werkelijke bedoelingen te camoufleren of om opponenten om de tuin te leiden. Ze zijn soms een tweede natuur geworden. De manier van discussiëren van onze politici heeft waarschijnlijk te maken met de typisch Nederlandse manier van besluitvorming. We zijn een land van schikken en plooien. We geven de voorkeur aan conflictvermijdend gedrag. Dat maakt de complexiteit van de besluitvorming enorm groot. Er zijn veel partijen en die hebben allemaal een waslijst van verlangens. Daar moet de politicus rekening mee houden. Die factoren staan een succesvolle en bevredigende communicatie in de weg. Zeker als de spreker zijn standpunt niet duidelijk durft te maken.
In de communicatie met de overheid gaat ook de burger niet vrijuit. Maar weinigen verdiepen zich in zaken die direct buiten hun straat of zelfs hun woning liggen. Velen laten zich gemakkelijk meeslepen met wat anderen roepen, hebben veel kritiek op alles wat de overheid doet, maar poberen niet om zaken anders te regelen. Een houding van 'laat maar waaien' en 'het zal mijn tijd wel duren' is hun niet vreemd.

Burgers moeten niet aarzelen de discussie aan te gaan met de politici die hen vertegenwoordigen. Wanneer de burger de politieke arena betreedt, krijgt hij of zij te maken met verbale trucs om de opponent af te troeven of lastige zaken af te dekken. Het is goed als hij enige kennis heeft van de zeden en gewoonten die daar heersen. Daar kan deze uiteenzetting een hulpmiddel voor zijn.

Taalgebruik van politici

Politici hebben de naam wollige en bloemrijke taal te gebruiken. Kenmerkend voor hun manier van spreken is het omslachtige taalgebruik. In plaats van Dat is mogelijk of Dat kan roepen ze Dat is bespreekbaar. Ze geven zelden direct antwoord op een vraag, maar wijken onmiddellijk uit naar onderwerpen die ze minder 'gevaarlijk' vinden. Ze gebruiken graag algemene en sociaal-wenselijke termen.

Politici zijn bedreven in verbale acrobatiek. Om bijvoorbeeld het aantal nachtvluchten op vliegvelden te kunnen vergroten, vinden ze uitdrukkingen als ‘vliegen in de randen van de nacht’, ‘gedogen moet mogen’ en ‘we gaan voor een 24-uurs economie’. In de publieke opinie worden politici niet voor niets gezien als lieden die veel praten maar weinig zeggen. In de eigen kring wordt deze manier van spreken vaak als handig geprezen. Maar bij de burger roept dat taalgebruik weerstand op. George Orwell heeft een uitgesproken mening over het taalgebruik van politici. In Politics and the English Language schreef hij dat ‘de taal van de politiek ontworpen is om leugens waarachtig, en moord respectabel te laten klinken en om gewicht te verlenen aan gebakken lucht’.

Politici krijgen het niet over hun lippen toe te geven dat zij fouten hebben gemaakt, of dat ze een zaak anders hadden moeten doen. De tegenzin van politici om ongelijk te bekennen, leidt tot tijdrovende discussies en versluierend taalgebruik. Heeft een staatssecretaris, bijvoorbeeld Robin Linschoten in de CTSV-affaire in juni 1996, de Kamerleden belazerd, dan is er 'onzorgvuldig gehandeld’. Zijn er dingen in de doofpot gestopt, dan is er 'onderweg een taxatiefout’ gemaakt. Wanneer Frankrijk doordramt over het Nederlandse drugsbeleid, zegt de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo: het standpunt van de Franse president verdient naar Nederlandse maatstaven geen schoonheidsprijs, maar wij hebben begrip voor de situatie in zijn land. Wil hij het wat harder zeggen dan klinkt het bijvoorbeeld als: wij nemen de woorden van Chirac voor kennisgeving aan.

De zittende politicus

Hij heeft nog nooit gedanst, hij kent zijn doel.
Nog nooit is op zijn vale klerkensmoel
Zomaar een lach verschenen, maar die nacht,
Nadat de gek de nar had omgebracht.
Kroop hij zijn bed uit, glimmend van de pret,
En maakte hij onbespied een pirouette.
Dank, dank, riep hij, het monster is geveld,
Hij oefende het woord "geschokt" voor morgen
En sliep als twintig ossen kunnen slapen.
Straks is hij, voor de camera vol zorgen.
Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld.
Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied.
Hij loopt op straat, ondragelijk rechtschapen
En ziet nog steeds het echte monster niet.

Gerrit Komrij, 10-05-2002, na de moord op Pim Fortuyn

Onderling taalgebruik

Veel politici gedragen zich in hun persoonlijk leven dikwijls net zo als de doorsnee burger en hebben vergelijkbare opvattingen. Zo gauw zij zich echter binnen hun eigen politieke sfeer en instituties begeven, veranderen zij op slag. Het is een gesloten belevingswereld met autistische trekjes, met een geheel eigen kijk op de wereld en de werkelijkheid en zelfs met een geheel eigen jargon dat voor buitenstaanders nauwelijks is te volgen.
Die belevingswereld heeft zijn neerslag op hun manier van discussiëren. In hun discussies onderling en met betrokken bewoners of belanghebbenden gaat het niet altijd om de juistheid van een opvatting. Wat politici en ambtsdragers zeggen en waarover ze met elkaar discussiëren is soms maar een deel van waar het om draait. Belangrijker zijn de onderhuidse conflicten. Dat kunnen heel persoonlijke conflicten zijn, maar ook botsingen die samenhangen met hun positie. De inzet van hun dialogen is vaak niet het oplossen van een meningsverschil, maar het behalen of behouden van macht en het uitoefenen van invloed op politieke beslissingen. Deugdelijk argumenteren speelt daarbij wel een rol. Omdat een nederlaag in een discussie gezichtsverlies oplevert, zal elke politicus proberen zijn standpunten te onderbouwen. Maar die argumenten zijn meestal ondergeschikt aan de tactiek van de strijd om de macht. Vaak bestaat bij de deelnemers niet de intentie om de tegenspeler te overtuigen. De argumenten die men gebruikt zijn bijvoorbeeld bedoeld om een beslissing of stellingname bij de eigen achterban of bij het overige publiek te rechtvaardigen. Het gevolg is dat de verhouding tussen bewering en argumenten in de politiek vaak een andere is dan bijvoorbeeld in juridische kwesties. Juridisch moet de juistheid van een veronderstelling op goede argumenten zijn gebaseerd. In de politiek wordt de bewijslast vaak omgekeerd. Er wordt een veronderstelling geuit en vervolgens moet de politicus bewijzen dat het anders is. En dan is het nog maar de vraag of zijn collega's naar hem willen luisteren. Als hij er niet voor de volle honderd procent in slaagt zijn gelijk aan te tonen, blijft de indruk hangen: hij zal het wel mis hebben. Wanneer politici bijvoorbeeld een compromis willen bereiken, dan is het vaak nodig om bijvoorbeeld begrippen en doelstellingen wat vaag te houden. Het op een suggestieve manier gebruiken van informatie of het onder druk zetten van politieke tegenstanders is in de politiek niet ongebruikelijk en wordt ook niet zonder meer als ongeoorloofd beschouwd. Die kenmerken van de politieke discussie versmallen vaak de dialoog tussen politici tot een steekspel waarbij niet meer de oplossing van een probleem centraal staat, maar het voorkomen van gezichtsverlies.

Gerrit Komrij: Dichter bij de politiek

Hoe heet de man (of vrouw) die quasi doet
Alsof hij naar ons luistert maar intussen
Met aangeleerde taal en lange lussen
Tegen zijn eigen leegte zit te praten

Hoe heet de man (of vrouw) die vrede preekt
En door niets zó aan zijn gerief kan komen
Dan door het sturen, in zijn natte dromen,
Van kinderen (niet de zijne) als soldaten?

We noemen hem (of haar) politicus. Houd de politicus onder de duim. Politici zijn gas. Geef ze de ruimte en ze vullen alle hoeken, alle gaten.

Invloed van media

De communicatie tussen politici en bevolking wordt in hoge mate bepaald door de massamedia. Zowel media als politici zijn van kijkcijfers afhankelijk.commedia De media bieden steeds meer amusement om kijkers te winnen. Ook de politiek behandelen ze als amusement. Politieke kwesties worden gedramatiseerd. Het geijkte recept voor een politiek onderwerp op de televisie is: houd het leuk, geef veel aandacht aan het persoonlijk element, scherp de verhoudingen aan, houd een kort gesprek met betrokkene, verleidt de politicus tot korte prikkelende uitspraken, suggereer een beeld van een bewindspersoon in hoge nood. De politici - wetend hoe invloedrijk beeldvorming in de pers kan zijn - spelen het spel van harte mee. Zij stemmen hun taalgebruik daarop af. In de moderne etalage die televisie heet, scoort de politicus die handig oneliners formuleert.

Zoals de media zich voegen naar de kijkcijfers, zo houden politici de zwevende kiezers in het oog. Aangezien die groep nog steeds groeit, doen ze vreselijk hun best elkaar in amusementswaarde te verslaan. Het gaat steeds minder om het onderscheid tussen politieke stromingen. In plaats van uitgangspunten of visie gaat alle aandacht uit naar de personen en hun wijze van optreden.

We hebben niet langer te maken met onbevooroordeelde media. De rol van de media als verslaggever loopt ten einde. We zien het begin van hun poging om op te treden als arbiter. Hun betrokkenheid bij het politieke proces is niet informatief, maar conformatief. Ze zijn niet geïnteresseerd in het creëren van een forum voor een nationaal debat, maar in het sturen van het debat om de uitkomst te controleren. De media zijn niet langer geïnteresseerd in berichtgeving over de overheid, ze willen de regering zijn. In een debat tussen twee kandidaten voor een politiek ambt, proberen bevooroordeelde commentatoren zich in te voegen als derde kandidaat. Het is het symptoom van een beroep waar "ethisch" betekent, doen wat nodig is om die partij te helpen waar men de voorkeur voor heeft.

De media maken gebruik van hun bedrijfsmatige controle over de ether en de grote mogelijkheden van sturen van het nationale debat en het politieke proces. Dit is een slag gericht op het hart van de democratie. Als dat doorgaat, zal dit leiden tot een mediacratie waar grote mediabedrijven in het land handelen als de Praetoriaanse Garde. De poging van de media om de mediacratie op te leggen vernietigt volledig hun geloofwaardigheid bij het publiek. Weinig mensen hebben nog vertrouwen in de media. Waarderingen van kijkers zijn gedaald. Kranten stoppen ermee en nieuwsuitzendingen worden niet meer bekeken … maar dat heeft de machtsgreep van de mediacratie niet gestopt.

Een vrije samenleving met open verkiezingen is het meest kwetsbaar op het raakvlak tussen kiezerspubliek en de politieke kandidaten. Dat is waar de mediacratie heeft geprobeerd om de democratie de keel door te snijden door het beheersen van die verbinding. Het internet heeft haar macht doen afnemen, maar ze houdt zelfs niet langer de schijn op van een beroepsethiek.

De journalistiek is dood. Mediacratie is het nieuwe model. De mediacratie is niet geïnteresseerd in de waarheid of feiten, alleen in macht. Ze is niet geïnteresseerd in het leveren van een dienst aan de lezers, maar om die te controleren. De mediacratie is bezig de democratie te wurgen. Het herstellen van een gezonde democratie en integriteit van het politieke proces vereist een confrontatie met de dreiging van de mediacratie.

Bron:
http://frontpagemag.com/2012/dgreenfield/mediacracy-why-the-media-is-the-greatest-threat-to-the-integrity-of-the-political-process/

Standaardjargon

Politici beschikken over een standaardjargon waarmee ze gevoelige kwesties kunnen toedekken of versluieren, of fouten verbloemen. Tot dat jargon behoren formuleringen als: ik wil u nog een keer wijzen op de toestand van 1985, We moeten even terug gaan in de geschiedenis, Laten we ons nu niet wijs laten maken dat ..., Het kan niet zo zijn dat...
In politieke kringen heet je best doen: een inspanningsverplichting. Die term wordt ook gebruikt voor een belofte die niet waar te maken is. Niet je best doen heet in het politieke jargon: minder adequaat inspelen op de relevante problematiek. Beginnen heet: starten en eindigen heet: afronden. Politici zijn dikwijls verbijsterd of geschokt.
Politici hanteren ook standaardtaal om te proberen tijdens vergaderingen hun spreektijd te overschrijden bijvoorbeeld met de uitroep: ik ga afronden. Ze zullen maar zelden zeggen dat een collega liegt, ze complimenteren hem met het pregnant onder woorden brengen van het tegendeel van de waarheid. Ze maken graag gebruik van krachtig klinkende clichés zoals: in principe houden wij vast aan het uitgangspunt dat het logisch is dat….

De ambtelijke broeikas

Het taalgebruik van politici vertoont ook de invloed van de ambtelijke bureaucratie. Daarbij moet bureaucratie niet in de gangbare negatieve zin worden verstaan. Het gaat niet altijd om een traag werkend apparaat waarvan de wegen onnavolgbaar zijn. In zekere zin doen de ambtenaren hun werk juist te goed. Dankzij hun accuratesse wordt elk besluit tot het zoveelste cijfer achter de komma onderbouwd. Ook dankzij hun bestuurlijke ervaring weten zij hoe ze een conflict van de scherpste kanten moeten ontdoen. De andere kant van deze medaille is echter dat ambtenaren de werkelijkheid door een bestuurlijke bril zien. Realiteiten die niet passen in die optiek, dringen zelden door tot de wereld onder de ambtelijke ‘stolp’, waartoe ook de politici behoren. Ambtenaren en in hun voetspoor politici spreken voor andere burgers al gauw geheimtaal.

Voorbeeld:

Uit recent onderzoek (uitgevoerd in januari 2014) onder de medewerkers die werkzaam zijn in de vestiging in Assen blijkt dat ongeveer 25 procent van de ondervraagden regelmatig last had van een gevoel van onveiligheid bij het lopen van de achteruitgang van het gebouw naar het parkeerterrein alwaar hun auto geparkeerd stond.

In helder Nederlands zou dit bericht als volgt kunnen luiden:

In januari 2014 is een onderzoek uitgevoerd onder medewerkers in de vestiging in Assen. Hierbij kwam naar voren dat één op de vier ondervraagden regelmatig bang was om van de achteruitgang van het gebouw naar de auto op het parkeerterrein te lopen.

De verschillen zijn: de veel te lange zin is in tweeën geknipt. Omslachtige, omschrijvende tekst is vervangen door veel kortere benamingen, soms is een omschrijving ("last van een gevoel van onveiligheid") vervangen door één woord ("bang")

Ivoren toren

Daar komt nog bij dat veel politici een slecht ontwikkeld gevoel voor de maatschappelijke realiteit hebben. Ze weten niet - of willen niet weten, wat de concrete gevolgen zijn van hun beleid. Ze lanceren fraaie voornemens, maar vragen zich niet af wat de werkelijke toestand is. In oktober 2012 heeft Nederland daar een voorbeeld van gezien. Het tweede kabinet Rutte komt met plannen voor de zorgverzekering die voor het inkomen van veel burgers een enorme aderlating betekenen. De betrokken politici hebben zich niet gerealiseerd hoe hun plannen in werkelijkheid zouden uitpakken. Voor een deel komt dit waarschijnlijk voort uit een proces van geleidelijke ontzuiling. Politici beschikken niet meer over een bekende en stabiele achterban die hen tot de orde roept als hun stellingname te ver van bepaalde groepsbelangen staat. Voor een ander deel heeft hun ivoren-toren gedrag te maken met de manier waarop zij worden gerekruteerd. Zij komen doorgaans uit één van de politieke partijen voort, maar die zijn veel minder dan voorheen in de maatschappij geworteld. Een andere factor is dat van de meeste politici, zoals die in de parlementen van onze 2e kamer en andere overheidsorganen, betwijfeld kan worden of zij wel het I.Q. hebben om precies te begrijpen wat zich “daarbuiten" afspeelt.

Consensuscultuur

ayeaye

Een belangrijke reden waarom politici hun woorden voorzichtig kiezen, is de Nederlandse consensus­cultuur. Zij moeten het uiteindelijk eens worden met hun fractieleider, hun fractie, met bewonersgroepen, met belangrijke pressie­groepen. Wie in of buiten een fractie te veel een eigen koers vaart, loopt kans op een niet-verkiesbare plaats op de volgende kandidatenlijst.

Een vergelijkbaar fenomeen speelt zich af in het groepsdenken dat versterkt wordt door de media. Die media scharen zich achter politiek correcte opvattingen over bjvoorbeeld de euro, immigratie, klimaatverandering. Die opvattingen blijken buitengewoon onderdrukkend van aard. Wie een afwijkend standpunt inneemt, wordt al snel in de hoek gezet van de racisten, extreem rechtse lastpakken.

Het nadeel van dat dwingend opgelegde groepsdenken is dat de mensen er gewoonlijk aantoonbaar dommer van worden, omdat zij niet meer in termen van conflicterende ideologieën mogen denken. Voor de vermeerdering van kennis zijn tegenstrijdige opvattingen nodig, waarover heel diep nagedacht moet worden. Op die manier ontwikkelde de wetenschap in het Westen zich steeds verder. Door van te voren vast te stellen waarover men alvast NIET meer mag spreken, komt het denken tot stilstand.

Mediatraining

Politici zijn er zich steeds meer van bewust dat hun verbale communicatie met de burger kenmerken vertoont die een goed begrip tussen beide partijen in de weg staat. Om die communicatie te verbeteren volgen ze mediatrainingen en kijken ze elkaar de kunst van het spreken af. Hun optreden voor TV laten ze bijschaven door bureaus die vaak worden geleid door ex-TV-medewerkers die voor een flinke vergoeding per dagdeel de nodige aanwijzingen geven. Veel gegeven aanwijzingen zijn: niet te snel spreken, recht in de camera kijken, evenals het advies om de boodschap niet aarzelend maar kloek over te brengen. Maar ze leren ook om zich in standaardtaal uit te drukken en netelige kwesties te omzeilen. Ze krijgen ook aanwijzingen hoe zij zich zo voordelig mogelijk kunnen presenteren en leren trucs om lastige vragen te ontwijken. Die bureaus leren politici ook hoe zij reporters voor hun boodschappen­karretje kunnen spannen. Uitgangspunt is: wat de interviewer vraagt, is niet van belang. De politicus moet alleen zeggen wat hij zelf kwijt wil. Het resultaat van die trainingen ziet de toeschouwer bijna dagelijks op TV: vlot babbelende figuren die met een overdaad aan woorden elk direct antwoord op een vraag omzeilen. discustafelDie training staat echter niet garant voor een goed resultaat. In de week van 15 november 1998 sprak een Kamerlid, zichtbaar mediagetraind, zonder blikken of blozen de volgende woorden: dat is een vraag die we inderdaad serieus op een rijtje moeten zetten.

Onwillekeurig spreken politici op dezelfde manier met burgers. Ook al omdat zij weten dat hun collega's meeluisteren. De manier van discussiëren van veel politici maakt het voor de burger niet gemakkelijk zich in de politieke arena te begeven. Wie niet gewend is aan de manier van mondeling communiceren die in de politieke arena gebruikelijk is, wordt gemakkelijk een prooi voor 'door de wol geverfde' politici die met een overdaad aan woorden en redeneertrucs hun opponent de mond willen snoeren.

Afweerformules

Tijdens inspraakavonden en in brieven aan burgers gebruiken politici maar al te graag bureaucratenproza, met afweerformules die variëren van: er is niets aan de hand want de bestaande normen worden niet overschreden en We kunnen van de stad geen museum maken, tot Er is geen geld en Dit is lokaal niet op te lossen, hier is een landelijke aanpak vereist. Dergelijke formules kunnen een kern van waarheid bevatten. Maar die waarheid is voor de burger vaak moeilijk te controleren. Het zal niet de eerste keer zijn dat de politiek dit soort uitspraken hanteert als afweermiddel om de eigen prioriteiten veilig te stellen en de eigen plannen door te drukken.

De bijna standaard geworden argumenten waarmee de overheid wensen van de burger blokkeert

Betrouwbare overheid

Veel politici en bestuurders belijden in woord en geschrift dat zij aandacht hebben voor het milieu. Maar hoe komt het toch dat de burger de indruk krijgt dat die aandacht beperkt blijft tot dossiers en het spreekgestoelte, maar niet zichtbaar is in maatregelen? Sterker nog, waarom wekt de overheid de indruk haar plannen ten koste van zeer veel door te willen zetten? Daar zijn wat redenen voor te bedenken. Eén ervan is een verstrengeling van belangen. De overheid moet zorgen dat de gezondheid van de burger geen gevaar loopt, maar wil ook graag economische bedrijvigheid om werkgelegenheid te houden of uit te breiden. De praktijk leert dat de economische belangen meestal zwaarder wegen dan de ecologische.

Een andere verklaring is de manier waarop overheden bezwaren van burgers behandelen. Burgers die geconfronteerd worden met een overheidsbesluit hebben vooraf inspraak. Die inspraak blijkt in de praktijk slechts een onderdeel van een rituele dans. Als bijvoorbeeld bewoners op en rond de Maasboulevard in Rotterdam op 6 januari 1999 de gelegenheid krijgen hun bezwaren tegen het Inrichtingsplan van de Maasboulevard te uiten, heeft dat plan al vaste vormen gekregen. De portefeuillehoudster in de deelraad Kralingen-Crooswijk roept dat het Dagelijks Bestuur het plan al heeft goedgekeurd en dat er geen inspraakavond zal volgen. Daarmee worden bezwaren van burgers terzijde geschoven en krijgen alternatieve plannen geen kans. Die manier van doen is ook de landelijke overheid niet vreemd. Een opmerking uit een uitgelekte nota Recht doen aan inspraak van H. Boom, projectleider Betuwelijn bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, maakt duidelijk op welke manier overheden bij voorkeur met ingediende bezwaren omgaan. Omdat de wet het voorschrijft, worden bezwaren verzameld, verslagen van hoorzittingen gemaakt, alles keurig gerubriceerd en gebundeld en vervolgens wordt er niet meer naar omgekeken. Een niet gering aantal politici vindt inspraak- en bezwaarprocedures nuttig om de burger wat stoom te laten afblazen, maar ze moeten niet te lang duren en de uitkomst staat bij voorbaat vast. Wanneer burgers die regenteske houding tegenover inspraak- en beroepsprocedures van politici weten te blokkeren, slaan die een andere vluchtweg in bijvoorbeeld die van de werkgelegenheid, de vluchtroute om alle vervuilende activiteiten goed te praten en uiteindelijk te ‘gedogen’.

Om aan bezwaren van vasthoudende burgers te ontkomen beweert de overheid ook wel dat de wettelijke inspraak- en beroepsprocedures een krachtdadig bestuur belemmeren. Maar trage besluitvorming is vaak te wijten aan de overheid zelf. Inspraak, bezwaar en beroep zijn vrij precies in de wet geregeld. Daarbij worden belanghebbenden steeds aan strikte, meestal tamelijk korte, termijnen gebonden voor het inspreken of aantekenen van bezwaar en beroep. De partijen die rond de besluitvorming niet aan termijnen zijn gebonden zijn politici en het formeel bevoegde gezag. Deze partijen hebben en nemen steeds alle tijd voor het voorbereiden van hun beslissingen. Daarbij worden zij gesteund door een leger deskundigen, juristen, tekstschrijvers en advocaten, ondersteuning waarvan omwonenden en milieuorganisaties alleen maar kunnen dromen.

Burgers, instellingen en instanties ervaren meer en meer dat de overheid feitelijke gegevens niet, niet volledig of gekleurd aan de burgers door geeft. Zodra politici "lastige" (lees "niet in het beleidsplan passende") vragen uit de samenleving bereiken, krijgen ambtenaren de opdracht het antwoord voor te bereiden. Die maken een contourennota, analyserapport, of een ander document met een indrukwekkende naam. Dat antwoord wordt dan naar de burger doorgesluisd. Ambtenaren zijn veelal een stuk bedrevener met cijfers dan volksvertegenwoordigers. Te veel politici zijn cijferanalfabeten. Het gebeurt te weinig dat een politicus kennis en inzicht genoeg en voldoende kritisch vermogen heeft om ambtelijke notities op hun betrouwbaarheid te (laten) toetsen. Hij controleert bijvoorbeeld te weinig of een rapport naar de gewenste conclusies is toegeschreven. Dat sterkt het wantrouwen van de burger die zich gedwongen voelt als een soort detective alle 'feitelijke gegevens' zelf te controleren op hun juistheid. De Bijlmerenquête heeft ook laten zien dat verantwoordelijke politici zich laten gebruiken als trekpoppen die door ambtelijke notities worden aangestuurd.

Overtuigend argument

Wie zijn toehoorders probeert te overtuigen of tot iets te bewegen, zal argumenten moeten aandragen. Die zullen alleen het gewenste effect hebben wanneer ze zijn toegesneden op de hoorder. Toesnijden op de hoorder houdt meer in dan 'recht voor z'n raap' formuleren en het gebruiken van eenvoudige woorden. Als een argument alleen goed en logisch beredeneerd is, is dit vaak niet genoeg. Een onderbouwing van uw argument met een voorbeeld, rapport of verwijzing naar een geloofwaardige autoriteit kan wonderen doen voor uw overtuigingskracht.

Een goede manier om uw argumenten te structureren is het SEXI-model: State – Explain – Illustrate. U begint met het kort benoemen van het argument, daarna zet u uiteen wat u er precies mee bedoelt en tot slot illustreert u dat met een voorbeeld of een autoriteit. Een voorbeeld maakt een argument tastbaar, een rapport of autoriteit maakt een argument extra geloofwaardig. Bovendien blijven voorbeelden goed hangen in het geheugen.

Het geven van een voorbeeld is daarom een effectieve manier om een argument te onderbouwen in een debat of discussie. Zo’n voorbeeld komt echter nooit in de plaats van een argument, het is slechts een ondersteuning.

Maak optimaal gebruik van een voorbeeld

Let erop dat uw voorbeelden representatief zijn voor wat u wilt bewijzen. Het is ook verstandig om u niet te beperken tot één voorbeeld, maar er meerdere te geven. Op die manier voorkomt u dat mensen uw argument onderuit halen door te stellen dat het voorbeeld de uitzondering vormt op de regel.

Het voorbeeld wordt overtuigender als u achtergrondinformatie rondom het voorbeeld geeft. Zo is het voor milieugroeperingen bijvoorbeeld niet genoeg om te verwijzen naar “Tsjernobyl” bij een debat over kernenergie. Om te overtuigen is het beter om zo concreet mogelijk uit te leggen wat er precies is gebeurd en tot in de pijnlijke details te beschrijven wat de gevolgen waren.

Tot slot moet u ervoor zorgen dat uw voorbeelden nooit controversiëler zijn dan de algemene strekking van verhaal. Houdt u zich aan deze regels, dan wordt een argument geloofwaardiger.

Verkeerd voorbeeld en weg is uw overtuigingskracht

Het gebruik van voorbeelden in uw argumentatie kan echter ook verkeerd uitpakken. Bij vergaderingen moet u niet-representatieve of controversiële voorbeelden vermijden. Bijvoorbeeld, u wilt een voorstel doen, maar ergens in uw verhaal geeft u een ongelukkig gekozen voorbeeld. Sprekers staan in de rij om u over dat voorbeeld te kapittelen. Als ze u niet tijdens uw betoog onderbreken, is de kans groot dat ze tegenargumenten aan het verzinnen zijn die ze op u af vuren zodra u stopt met praten. Voor u het weet bent u een kwartier lang dat voorbeeld aan het verdedigen. Dat is jammer want u wilt het helemaal niet hebben over het voorbeeld, maar over uw voorstel. Het resultaat: de voorzitter kijkt op zijn horloge en besluit het voorstel af te wijzen, of hij schuift het door naar de volgende vergadering. Kortom, een controversieel of niet-representatief voorbeeld leidt de aandacht af van uw eigenlijke argument.

Verborgen uitgangspunt

Hoe iemand verschijnselen in de werkelijkheid in taal onder woorden brengt, heeft te maken met het beeld dat hij van de werkelijkheid heeft. Steeds als een spreker iets onder woorden brengt, houdt dat tevens een poging in om de toehoorder zijn bril op te zetten, d.w.z. gevoelig te maken voor zijn argumenten. De bril waardoor hij de werkelijkheid ziet, is weer afhankelijk van wat voor hem belangrijk is. Soms zijn argumenten van sprekers terug te voeren op vooronderstellingen die voortvloeien uit de manier waarop zij tegen gebeurtenissen en verschijnselen aankijken.

Een voorbeeld van het gebruik van verborgen uitgangspunten kwam voor in het discussieprogramma Het Capitool dat al weer jaren geleden op zondagmiddag 12:00-13:00 door de NOS werd uitgezonden. Op een moment in de discussie stelde de interviewer één van de panelleden de vraag:
Heeft u ook de indruk dat de regionale dagbladen zich minder kunnen permitteren dan de landelijke?
De aangesprokene antwoordt: Kunt u dat toelichten? Waarschijnlijk ruikt het panellid lont, hij vermoedt dat de vraag van de interviewer op een vooronderstelling berust. De vragensteller, die tegelijk de discussieleider van het panel is, zegt dan: De Telegraaf heeft zich bij zijn berichtgeving over deze geruchtmakende zaak zeer terughoudend opgesteld. De ondervraagde reageert laconiek met: De Telegraaf heeft zich niet anders opgesteld dan andere kranten. Dat antwoord brengt de vragensteller ertoe zijn onuitgesproken argument te verduidelijken: De Telegraaf heeft zich terughoudend opgesteld omdat ze niet méér van de zaak wist. Uit zijn verdere toelichting is af te leiden dat hij De Telegraaf eigenlijk een sensatiekrant vindt. De ondervraagde wijst op diplomatieke manier dit duidelijk geworden argument af: ik kan dat niet beoordelen.

Ellen de Bruin bijvoorbeeld, ondervraagster in het TV-programma Buitenhof, gebruikt nogal eens impliciete argumenten. Haar manier en toon van vragen stellen wekken vaak de indruk dat haar slachtoffer politiek of sociaal ongewenste ideeën heeft en dat zal die weten. Op luide, meestal vrij agressief klinkende toon wordt de ondervraagde gekapitteld. Meestal blijven de ondervraagden rustig en vriendelijk. Die wijzen haar steeds weer op de feiten zoals die zich hebben voorgedaan en ondergraven op die manier de vooronderstelling waarop haar aanvallen zijn gebaseerd.

Ook politici weten raad met het impliciet gebruik van argumenten. Vaak versluieren of verbloemen zij daarmee zaken waarvoor zij niet direct willen uitkomen. Het volgende vraaggesprek is daarvan een voorbeeld.
Vraag van de interviewer:
U heeft gezegd dat het Ministerie van Justitie het uitzenden van bepaalde televisiebeelden mag verbieden. Dat gaat toch lijnrecht in tegen de regeling van vrijheid van meningsuiting zoals die in ons land geldt?
De ondervraagde antwoordt op een voor politici bijna voorspelbare manier:
Dat heb ik zo niet gezegd. Ik heb gesteld dat er extreme situaties denkbaar zijn waarin het in het kader van het beleid van het Ministerie niet wenselijk is dat er voortijdig bepaalde berichten gepubliceerd worden. Het ministerie moet dan de mogelijkheid hebben om in een dialoog met de media te wijzen op de gevaren die aan een bepaalde voortijdige berichtgeving kleven. In een dialoog met een volwassen pers komen dergelijke situaties niet voor.
Het antwoord komt erop neer dat een 'volwassen pers' op aanwijzing van het ministerie direct bereid zal zijn om voorlopig van publicatie af te zien. Maar wat verstaat de politicus onder een 'volwassen pers' en wie bepaalt dat? De indruk is gerechtvaardigd dat de politicus met zijn eerste zin zijn eerdere uitspraak niet intrekt maar alleen versluiert. Want het Ministerie lijkt als criterium voor een 'volwassen pers' te hanteren: een pers die doet wat het Ministerie wil.

In extreme hoek duwen

Wie erop uit is om zijn opponent als ongeloofwaardig af te schilderen, probeert diens visie zo overdreven mogelijk voor te stellen. Een inleidende manoeuvre daarvoor is het stellen van suggestieve vragen als: Vindt u ook niet dat…, U kunt toch niet ontkennen dat…, U weet toch net zo goed als ik dat…. Wanneer de aangesprokene probeert die muizenval te ontwijken, krijgt hij het verwijt te horen: u ontwijkt mijn vragen, zo praten we langs elkaar heen.
Een andere manier om iemand in een extreme hoek te duwen is het aanpassen van diens argumenten om ze gemakkelijker te kunnen weerleggen. In De Volkskrant van 17-6-99 beschrijft Marcel van Dam een discussie tussen hem en Stephan Sanders. Van Dam verwijt Sanders dat hij Van Dam's argumenten wijzigt om die dan gemakkelijker aan te kunnen vallen. Sanders beweert dat Van Dam elf weken geleden nog vond dat Kosovo ons probleem niet was en dat een etnische schoonmaak hoorde bij de heetgebakerde Balkancultuur. Van Dam beweert toen zelf geschreven te hebben dat hij zich steeds vaker afvroeg of de hele Balkanbevolking uiteindelijk niet beter af was geweest als het Westen zich er nooit mee had bemoeid. Hij vond en vindt dat het Westen zich op de verkeerde manier met de Balkan of Kosovo bemoeit. Dat een etnische schoonmaak hoort bij de heetgebakerde Balkancultuur heeft Van Dam naar zijn zeggen nooit geschreven.

In veel discussies proberen politici van diverse politieke partijen burgers die bijvoorbeeld vraagtekens zetten bij de miljarden investeringen in de fysieke infrastructuur, in een extreme hoek te zetten: we kunnen toch geen bordje ‘Vol’ bij Schiphol zetten, of We kunnen die verkeersader toch niet afsluiten. Het is een veel gebruikt ‘argument’ om de opponent die vraagt om de overlast van het verkeer terug te dringen, monddood te maken. Door op die manier de mening van hun opponenten in een extreme hoek te zetten, maken ze een karikatuur van die opvatting. Op die karikatuur is het vervolgens gemakkelijk pijlen schieten.
In een discussie tussen Wallage van de PvdA en Bolkestein van de VVD probeerde Wallage de opvatting van zijn opponent te beschadigen met het verwijt: de VVD vist in een troebele vijver, een vijver van onrust. Zijn opponent reageerde op een manier die ook burgers in hun contacten met politici en bestuurder kunnen benutten. De verdachtmaking van de heer Wallage is buitensporig en ongerechtvaardigd. Het asielprobleem verdient een serieus debat dat de geachte afgevaardigde Wallage onmogelijk maakt.

Schijnargumenten

Een bijzondere vorm van discussievervuiling vormen de schijnargumenten. Het zijn redeneringen die op het eerste gezicht heel aanvaardbaar lijken. Bij nader toezien blijken ze niets anders dan pogingen om de discussie in een gewenste richting te sturen, de argumenten van de opponent te ondergraven of in een kwaad daglicht te stellen. Een kreet die vaak als schijnargument wordt gebruikt is: daar is geen financiële ruimte voor. Zo'n uitspraak betekent meestal dat de betrokken instanties de kwestie niet belangrijk genoeg vinden om daar geld voor vrij te maken.

De deelgemeente Hillegersberg / Schiebroek van Rotterdam kan ook met schijnargumenten overweg. Op Rotterdam Airport stonden zo'n 630 bomen in de weg. Want die bomen vormen een gevaar voor de veiligheid als een vliegtuig door maximale belading te langzaam hoogte maakt. Volgens een portefeuillehouder van die deelgemeente is: het milieu…beter af als de vliegtuigen vol kunnen, want dan zijn er minder vluchten nodig. Wie dat zonder blozen beweert, draait zichzelf een rad voor ogen of leidt de burger om de tuin. Wat die lokale politicus niet vertelt is dat het betreffende vliegveld, dat heette toen nog Zestienhoven, zich al lange tijd beijvert om meer en meer vluchten te verwerken. Het gaat niet om minder vluchten. Want natuurlijk wordt dat verminderde aantal vluchten onmiddellijk opgevuld. De eigenlijke reden is: vol geladen vliegtuigen leveren meer geld op.

Ook bewoners langs de Maasboulevard te Rotterdam werden met zo'n argument bestookt. Het leefklimaat op en langs de Maasboulevard baart hun zorgen. Zij vonden het de hoogste tijd om de overheid op haar taak te wijzen: terug dringen van de emissies aan geluid en luchtverontreinigende stoffen. Zij werden al snel afgescheept met de redenering: u wist toch of u had kunnen weten dat er langs uw flat een drukke verkeersweg is? Als u daar niet tegen kunt, moet u er niet gaan wonen. Het argument tegen een dergelijke drogreden ligt voor de hand. Bewoners kunnen op het moment van het betrekken van een woning de dan heersende overlast voor lief nemen. Maar dat houdt nog niet in dat zij dat ook moeten doen met de overlast die jaar in jaar uit toeneemt. Bewoners mogen er bovendien vanuit gaan dat de overheid zich houdt aan de grenswaarden voor de emissie van geluid en schadelijke stoffen. Wanneer dan blijkt dat op een bepaald traject langs hun woning die waarden overschreden worden, richten zij zich terecht tot de overheid met het verzoek om aan het gezondheidsrisico waaraan zij bloot staan een eind te maken.

De omgekeerde wereld is bereikt wanneer een politicus in antwoord op uw klacht over de onveiligheid in uw straat of wijk, u aanraadt om te verhuizen. In de visie van deze politicus moeten blijkbaar de straten overgelaten worden aan de hooligans, de vandalen en de dieven, opdat zij hun beroep in alle rust kunnen uitoefenen. Het is blijkbaar ook uw burgerplicht hen te mijden, want het is niet de taak van de overheid om de straten tegen hen te beveiligen. Een dergelijke politiek correcte stompzinnigheid ontstaat niet van nature, daar is aan gewerkt door waarschijnlijk jarenlange hersenspoeling in burelen van politieke partijen.

Bij discussies krijgen persoonlijke gevoelens en ambities, vaak gestoken in een zakelijk jasje, de overhand en gaan ongemerkt de zakelijke boodschap overheersen. Soms proberen deelnemers die kwaal tegen te gaan met de opmerking: dat heeft er niets mee te maken! Die uitlating houdt het verzoek in om die persoonlijke gevoelens en ambities te onderdrukken. Maar die drijfveren zijn niet gemakkelijk uit te bannen. In alle vergaderzalen duiken ze op. Het verzoek om zakelijkheid kan er toe leiden, dat deze ambities als het ware onderduiken en de communicatie stiekem toch bepalen. Schijnzakelijk geargumenteer wordt dan de manier om persoonlijke vetes uit te vechten, tijdrovende 'zakelijke' uiteenzettingen worden het middel tot zelfverheerlijking en zelfrechtvaardiging. Het zakelijke aspect van het bericht wordt gebruikt als een paard van Troje waarin allerlei ambities zijn verborgen.

Tunnelvisie

Plannen van de overheid lijden niet zelden aan wat wel tunnelvisie wordt genoemd. Op 6 januari 1999 maakt de deelgemeente Kralingen-Crooswijk een plan bekend om de rijstroken van de Maasboulevard in Rotterdam zo'n vijf meter dichter naar de woningen te verplaatsen. Dat plan was uitgebroed door de dienst gemeentewerken. Bij het ontwerp voor het nieuwe plan heeft de betreffende gemeentelijke dienst vooral oog gehad voor het autoverkeer. De stroom auto's moet gemakkelijker dan voorheen de stad kunnen bereiken. Met een brede, groene middenberm krijgt de verkeersweg een wat vriendelijker aanzien. Om ruimte voor die middenberm te maken, worden een paar rijbanen een enkele meters naar de huizen toe geschoven. Dat er ook mensen langs die boulevard wonen en dat het verschuiven van de rijstroken de milieubelasting voor de bewoners nog verder boven de toegestane normen brengt, is aan de aandacht ontsnapt. Een massaal protest van bewoners deed de verantwoordelijke overheden besluiten eens na te laten rekenen of die verplaatsing van de rijstroken volgens de geldende milieuvoorschriften wel kon. Toen bleek dat de milieuvoorschriften al in de huidige situatie overschreden werden, werd dat plan afgeblazen.

Die tunnelvisie zien we ook bij het verhaal over de A20, de noordelijke randweg rond Rotterdam. Het verkeersaanbod op de A 20 tussen Terbregseplein en Kleinpolderplein, hoog genoteerd in de provinciale file top vijf, groeit gestaag maar minder snel dan voorheen. Steeds meer weggebruikers blijken het overvolle traject in de spits te mijden. Vrachtverkeer gaat vaker 's nachts rijden, automobilisten kiezen meer en meer sluiproutes. Dat zei Ir. E. Ebbens, projectleider bij Rijkswaterstaat, in Rotterdam-Hillegersberg over de 'zorgensnelweg' tijdens een informatiebijeenkomst op 24/06/96 met omwonenden en belangengroepen.
De situatie op de A 20 die blijkens recente onderzoeken relatief veel woon-werk- en ander kort afstandsverkeer aantrekt, vindt de projectgroep zo onrustbarend dat maatregelen onontkoombaar lijken. Wij willen eerst uw visie, knelpunten en problemen ten aanzien van de verkeerssituatie horen, lichtte projectleider Ebbens die avond de gloednieuwe strategie van Rijkswaterstaat toe. Daarna gaan wij nadenken over oplossingen en in oktober kunt u daar allemaal weer over meepraten. Want we willen stap-voor-stap tot een resultaat komen, rekening houdend met burgers, instanties en geplande woningbouw en bedrijventerreinen. Aan welke maatregelen een projectgroep van architecten en verkeersdeskundigen denkt, is te voorspellen. Die avond gaf de projectleider al een voorzet. Op het inmiddels berucht drukke rijkswegtracé zijn volgens Ebbens te weinig rijstroken, ontbreken op meerdere plaatsen vluchtstroken en groeien de toeritten door hun beperkte lengte uit tot ware obstakels. Kortom, er moeten maatregelen komen om de groeiende stroom autoverkeer ruimer baan te geven. Het is weer meer van hetzelfde: meer asfalt en beton om het autoverkeer tegemoet te komen. Dat een groot transferium voor tenminste 4.000 auto's al vóór de A20 het woon-werkverkeer kan opvangen en dat het vervoer van goederen op andere manieren dan via de vrachtwagen kan gebeuren, blijft te veel buiten de horizon van dergelijke projectgroepen liggen.
Bewoners kunnen veel te weinig meekijken en adviseren bij dit soort projectgroepen. Ze kunnen niet mede de randvoorwaarden vastleggen waarbinnen oplossingen gezocht moeten worden. Ze kunnen ook de plannen niet voortdurend toetsen op het handhaven van die randvoorwaarden. Zolang dat niet kan, worden ze bijna onvermijdelijk geconfronteerd met tunnelvisies.

Fopspenen

Burgers, instellingen en instanties ervaren meer en meer dat de overheid feitelijke gegevens niet, niet volledig of gekleurd aan de burgers door geeft. Die ervaring sterkt het wantrouwen van de burger die zich gedwongen ziet als een soort detective zelf alle 'feitelijke gegevens' op hun juistheid te controleren. Bijna klassieke voorbeelden zijn de milieurapporten waarin een overheid 'aantoont' dat er met het milieu op een bepaalde locatie niets mis is. De burger wordt dan afgescheept met formules als: er zijn onderzoeken gehouden die uitwijzen dat de overlast duidelijk binnen de gestelde normen blijft. Dus waar zeurt u over? Wie enigszins thuis is in de wereld van de onderzoeksrapporten is niet meer verbaasd over de manieren waarop deze papieren tijgers in de politieke discussie worden gebruikt. Uit de conclusies van deze rapportages blijkt nogal eens de juistheid van het oude gezegde ‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’. Zowel politici als burgers gaan er nog te veel vanuit dat op de resultaten van zo’n onderzoek weinig valt af te dingen. Ook tijdens een commissievergadering in de Zuid-Hollandse gemeente Muiden beriep B&W zich op ondeugdelijke onderzoeksresultaten. Aan de orde was een voorstel van de gemeente een vergunning te verlenen om op zo'n 200 meter afstand van een woongebied een composteerbedrijf neer te zetten. De bewoners van het betreffende woongebied vonden de afstand tot het woongebied te klein en maakten daarom bezwaar tegen dat voornemen. Ze vreesden dat o.a. door het verwaaien van sporen en bacteriën allergische reacties konden ontstaan bij vooral ouderen, zieken en kinderen. De gemeenteraad had het besluit eigenlijk al genomen, maar vond het door de grote onrust die onder de bewoners was ontstaan, gewenst een commissievergadering aan de kwestie te wijden. Eigenlijk met de bedoeling de onrust te sussen met de bekende boodschap: niets aan de hand, u kunt rustig slapen. Dat bedrijf doet niets anders dan groenafval van bomen en struiken fijn maken en tot compost verwerken.

Van een open discussie was op die avond geen sprake. De zaak moest doorgedrukt worden. De commissievergadering leverde een voorbeeld van de manier waarop zo’n rapport als ‘Deus ex machina’ wordt gebruikt. Als voorwaarde voor het verlenen van die vergunning was eerder afgesproken: uit een onderzoek moet blijken dat er voor de bewoners geen overlast te vrezen is. Na enkele maanden verschijnt het rapport dat in opdracht en voor rekening van het composteerbedrijf is gemaakt. In een begeleidende brief aan de commissieleden beweren B&W dat voldaan is aan de gestelde voorwaarde. Die bewering wordt in de brief alleen gebaseerd op het rapport waarin die conclusie te lezen staat. In de brief van B&W wordt niet gerept over een aantal documenten dat bewoners hebben laten samenstellen. Die documenten wijzen uit dat het onderzoeksrapport niet deugt en naar de gewenste conclusie is toegeschreven. Een typisch geval van "Wij van WC-eend bevelen WC-eend aan om . . ." Hoewel de kwaliteit van de tegenrapporten niet in twijfel wordt getrokken, stelt geen van de betrokken raadsleden een kritische vraag over de kwaliteit van het rapport waarop de gemeente zich beroept. Eén raadslid gaf daarvoor als verklaring dat hij geen tijd had om die rapporten te bekijken en ze trouwens toch niet begreep.

Een vergelijkbare ervaring ondervonden bewoners van de Maasboulevard tijdens een commissievergadering in Rotterdam. De gemeente Rotterdam wilde twee rijstroken op de Maasboulevard zo'n vier meter naar de woningen verplaatsen. De gemeente had berekend dat de milieubelasting de geldende normen niet zou overschrijden. De gemeente gebruikte de uitkomsten om te beweren dat de milieubelasting beneden de toegestane normen bleef en het bezwaar tegen de verplaatsing van de rijstroken ongegrond was. Om hun bezwaren tegen dat plan te onderbouwen toonden de betrokken burgers aan dat de computermodellen waarmee de milieubelasting op en langs wegen wordt berekend, niet deugen. In een rapport Leefmilieu op en rond de Maasboulevard (juni 1998) stelden bewoners de tekorten in het rekenmodel aan de kaak waarmee o.a. de geluidbelasting op de gevel van woonhuizen wordt berekend.

Ook op andere manieren blijken gemeentebesturen de uitkomsten van computermodellen als fopspeen te gebruiken. Met de normen voor geluidshinder wordt een spel gespeeld waarbij de bewoners van de regio voortdurend met een lawaaiige kluit in het riet gestuurd worden. Om de computermodellen de gewenste resultaten te laten uitspuwen, worden invoerwaarden wat verschoven (uitgaan van 50km/u in plaats van de werkelijk gereden snelheid), bepaalde factoren weggelaten (geen rekening houden met filevorming) of onderschattend weergegeven (hoogte wegdek). Door een norm even wat te verhogen (uitzonderingwaarde) of de grens van een zone wat te verleggen, suggereren verantwoordelijke instanties dat bewoners eigenlijk geen reden tot klagen hebben. Het lawaai valt binnen de gestelde normen van een bepaalde zone, dus niet zeuren. Dat bij het vaststellen van die normen en zones bovendien een grote mate van ‘soepelheid’ in acht wordt genomen, blijft bij voorkeur onvermeld.

Bewoners stelden politici en gemeentelijke diensten in Rotterdam een rapport in handen over de rekenmodellen die gebruikt worden om de milieubelasting in een straat of wijk te bepalen. Dat rapport ging ook na of de geldende milieunormen (grenswaarden) een voldoende waarborg vormen voor een gezond leefklimaat. Het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de gebruikte rekenmodellen resulteerde in de conclusie: de luchtvervuiling en de geluidsoverlast worden berekend met computermodellen waarmee een belangrijk deel van de milieubelasting uit de cijfers verdwijnt. Ook de geldende milieunormen blijken vaak niet veilig. Tijdens een commissievergadering deelde een raadslid mee dat hij niet van cijfers hield, dat cijfers zijn sterkste kant niet waren en hij het rapport ingediend door de bewoners, daarom maar niet gelezen had. Dat volksvertegenwoordigers zich een brevet van onvermogen toekennen is schrijnend, maar is helaas niet zeldzaam.

Cijferdemagogie

Om de burger wijs te maken dat bepaalde maatregelen nodig zijn, schrikken politici en ambtenaren niet terug voor cijferdemagogie. Ze goochelen u cijfers van bevolkingsgroei, aantallen woningzoekenden, op stapel staande bouwprojecten voor om aan te tonen dat er bomen gekapt, recreatiegebied, weiland en veenplassen moeten verdwijnen om plaats te maken voor bijvoorbeeld woningen. Maar laat u niet van de wijs brengen. Een goede en vaak vruchtbare manier om politici die u met dit soort argumenten willen overtuigen, van repliek te dienen is vragen naar de herkomst en betrouwbaarheid van de cijfers.

Voorbeeld van verbale acrobatiek

Een voorbeeld van deze soort argumentatie vindt u in de manier waarop de overheid de aanleg van de Betuwelijn heeft onderbouwd. Het hele debat over de Betuwelijn is gebaseerd op prognoses voor het spoorgoederenvervoer. Die prognoses, voerde Minister Netelenbos herhaaldelijk aan, staan niet ter discussie. Maar wat wordt met die prognoses precies bedoeld? Waarom zijn die onaantastbaar? Het NS-rapport Onderbouwing Toekomstplan voor het goederenbedrijf (1991) geeft het antwoord. In 1990 staat het al jaren verliesgevende NS Goederen voor een dilemma. Moet het zijn activiteiten geheel beëindigen of een enorme groeisprong maken? Bij een vervoersprestatie van 19 miljoen ton blijkt het niet mogelijk om winst te maken. Bij een hogere omzet kan het bedrijf overleven. Dus zet NS Goederen, later NS Cargo geheten, hoog in op een groeistrategie. In opdracht van de NS wordt door het adviesbureau Coopers en Lybrand in september 1990 een Businessplan NS Goederenvervoer opgesteld. Dit vertrouwelijke rapport veronderstelt dat het in 2010 mogelijk moet zijn 65 miljoen ton vracht over het spoor te vervoeren. Het is een ambitieus plan, want het gaat om een groei van 342 procent in 20 jaar in een concurrerende vervoersmarkt. De gewenste groei naar een vervoersvolume van 65 miljoen ton betreft voor de helft (32 miljoen ton) het oost-west verkeer. Om dat volume in 2010 te kunnen realiseren is volgens het rapport: uitbereiding van de capaciteit van de infrastructuur door aanleg van de Betuwelijn noodzakelijk. Dit is de crux. De Betuwelijn moet er niet komen om een berekende 32 miljoen ton van de toekomstige vrachtstromen op te vangen. Het is andersom: om die hoeveelheid door het spoor te kunnen laten vervoeren moet de Betuwelijn er komen. Cijfers die een omzetwens van NS Goederen betreffen, hebben door de minister de status van prognoses gekregen.
In het voorjaar van 1997 aanvaardt de Tweede Kamer de nota Transport in Balans(TiB). Deze nota betreft de uitwerking van het advies van de Commissie Hermans uit 1995. Volgens dit advies moet in 2010 zo'n 50 miljoen ton van de weg naar andere vervoerswijzen overgeheveld worden. In deze nota is de omzetwens van NS Cargo in feite tot wet verheven. Het ministerie hanteert sindsdien een scenario dat uitgaat van 34,3 miljoen ton vervoer over de Betuwelijn in 2010. Dat volume is vrijwel gelijk aan de hierboven genoemde 32 miljoen ton uit de koker van Coopers & Lybrand. De minister legitimeert de aanleg van de Betuwelijn door te verwijzen naar cijfers die een omzetwens van NS Goederen betreffen, prognoses genoemd worden, en via de nota Transport in Balans (TiB) omgezet zijn in een beleidsdoel.

Overdrijven

Met bevindingen van wetenschappers kunt u uw betoog onderbouwen. Maar let op. Waak voor overdrijving. Dat geeft uw opponent de gelegenheid om uw betoog onderuit te halen.

Op 1 juni kwam het progamma Zembla met een aflevering getiteld ‘Ziek van je mobieltje’. Over de eventuele gezondheidseffecten van de straling van mobiele telefoons is al jaren veel te doen. De grootste angst is dat mobiele telefonie mogelijk hersentumoren veroorzaakt. Er wordt daarom al jaren veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar deze en andere mogelijke gezondheidsschade door mobiel bellen.

Hoe zit het nou met dat gevaar van mobieltjes? Volgens Zembla zijn hier inmiddels “honderden onderzoeken” naar uitgevoerd en komt er de laatste jaren “steeds meer bewijs” dat de radiogolven waarmee mobiele telefonie werkt gezondheidsschade opleveren. De redactie verwijst hiervoor onder andere naar een rapport van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO), waarin de straling van mobiele telefoons wordt geclassificeerd als “mogelijk kankerverwekkend”.

Dat er veel onderzoek naar dit onderwerp wordt gedaan en vooral naar de eventuele link met hersentumoren is waar. Maar dat er steeds meer bewijs komt dat straling van mobiele telefoons schadelijk is voor uw gezondheid, is niet waar. Sommige onderzoeken lijken een effect te vinden, andere weer niet.

Zembla bespreekt, eenzijdig, alleen de onderzoeken die wel mogelijke gezondheidsschade vinden. Zoals dat van de Zweedse oncoloog Lennart Hardell, die ook in de uitzending zit. Hij ondervroeg mensen met hersentumoren over hun belgedrag, en meende zo te hebben ontdekt dat mensen die veel bellen vaker een hersentumor hebben. En dan vooral van een type genaamd gliomen.

Maar andere grote studies naar ditzelfde fenomeen vinden die resultaten niet. Zo keek dit onderzoek, dat werd gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift BMJ, naar bijna 25.000 glioomgevallen in de VS. Maar in deze studie werd geen verband gevonden tussen deze tumoren en mobiel bellen. Volgens dit internationale onderzoek van de WHO lijken mensen die gematigd mobiel bellen zelfs minder vaak hersentumoren te krijgen dan mensen die nooit mobiel bellen.

De wetenschappelijke wereld is er kortom nog niet uit of mobiele telefoons nou écht gezondheidsschade opleveren. De consensus is dat dit waarschijnlijk wel meevalt, omdat de meeste studies toch echt geruststellend in plaats van alarmerend zijn. Bovendien zou je, als mobiele telefonie inderdaad zo schadeijk is, verwachten dat het aantal hersentumoren in de westerse wereld laatste jaren is tegenomen. Maar dat is niet zo.

Het valt echter niet voor honderd procent uit te sluiten dat mobiel telefoneren de kans op een hersentumor toch een beetje verhoogt. Daarom heeft de WHO, zoals Zembla meldt, de straling van mobiele telefoons op de lijst van al dan niet kankerverwekkende stoffen gekwalificeerd als “2B” (zie deze lijst [pdf]). Dat betekent: mogelijk kankerverwekkend.

Zembla suggereert alsof dit heel zorgwekkend is. In de uitzending wordt gezegd dat er op deze lijst ook allemaal “zware chemicalien staan”, waarna er een lijstje met moeilijke chemische namen in beeld wordt gebracht. Dat klinkt eng. Maar het programma meldt niet dat er ook allerlei allerdaagse, onschuldiger ogende zaken in die categorie 2B staan. Zoals koffie, ingemaakte groenten (bijvoorbeeld augurken), talkpoeder (wanneer je dit gebruikt als lichaamspoeder), kokosnootolie, chirurgische implantaten.

Zijn al die zaken kankerverwekkend? Dan zou de WHO ze in categorie “1” hebben geplaatst. Ze zijn zelfs niet “waarschijnlijk kankerverwekkend”, dat is categorie 2A. Er kan alleen niet volledig worden uitgesloten dat deze zaken de kans op kanker iets verhogen. Maar voor hetzefde geld doen ze niets.

De meeste wetenschappers in de uitzending hebben het trouwens inderdaad netjes over “mogeijk kankerverwekkend”. De voice-over is echter een stuk stelliger en spreekt regelmatig over de “gevaren” alsof die aangetoond zijn.

Bron: http://www.denieuwereporter.nl/2012/06/de-bangmakerij-van-zembla/

Schijnbaar dilemma

Kent u de naam J. Dronkers nog? Nadat hij alle door het dagblad Trouw verzamelde gegevens had bekeken, gaf deze onderwijskundige rapportcijfers aan 700 middelbare scholen. Bij een bespreking van die cijfers in de raadscommissie onderwijs van gemeente X was de kritiek niet mals. Hoe haalde die Dronkers het in zijn hoofd om hun scholengemeenschap een vier te geven? De school organiseerde veel buitenschoolse activiteiten. De hoogste klassen maakten elk jaar een leuke reis, andere klassen waren veelvuldig op zeilkamp, organiseerden disco-avonden, houseparty’s en sportdagen. Elke maand vergaderde het lerarenkorps met ouders om te kijken of ze het de leerlingen nog meer naar de zin konden maken. Waarom had hij niet op die factoren gelet? Zijn cijfers waren alleen gebaseerd op resultaten. In de visie van de meeste leden van de onderwijscommissie deugde dat voor geen meter. Kennis is niet zaligmakend in het onderwijs. Bespaar de kinderen algebra, Grieks, scheikunde en topografie, dat levert alleen maar cognitieve kennis op. Daar hebben ze in hun latere leven weinig aan. Belangrijker dan al die snel verouderende kennis is het aanleren van sociale vaardigheden. En daar munt onze school in uit, of niet soms?
Deze kritiek liep bijna parallel met de berisping die Dronkers van Sonja Barend opliep in de Tv-rubriek Barend & Witteman. Hoe kon hij scholen alleen beoordelen op de voortgang van leerlingen door de schooljaren en de examenresultaten? De voor het Tv-programma B&W gemobiliseerde leerkrachten bedienden zich van het jargon van jeugdherbergvaders, straathoekwerkers en reclasseringsevangelisten. De beoordeling had volgens hen veel meer aandacht moeten geven aan het bijbrengen van sociale vaardigheden. Ook in dat Tv-programma beijverden de genodigde leerkrachten zich om de heer Dronkers duidelijk te maken dat die sociale vaardigheden belangrijker waren dan kennisoverdracht.
Opmerkelijk was dat twee van de deelnemers aan de discussie niet bereid bleken deze waan van de dag te volgen. Na geruime tijd het gesprek aangehoord te hebben, vroegen zij zich hardop af of de vergadering niet verzeild was in een schijnbaar dilemma. Was het aanbrengen van sociale vaardigheden alleen of vooral voorbehouden aan de genoemde buitenschoolse activiteiten? Kan het ontwikkelen van sociale vaardigheden alleen of vooral buiten de overdracht van kennis en inzicht plaats vinden? Kortom, bestaat er een waterscheiding tussen het overdragen van cognitieve kennis en het aanleren van sociale vaardigheden? Kinderen in een omgeving plaatsen die weinig of geen eisen stelt, waar als hoogste eis geldt dat ‘het leuk’ moet zijn en waar vooral een sfeer van gezelligheid en vrijheid blijheid moet heersen, is misschien niet de enige en zelfs niet de juiste manier om hen met anderen te leren omgaan. Ook het leren beheersen van het Nederlands, het leren spreken en schrijven van een vreemde taal, leren redeneren langs de lijnen der wiskunde ontwikkelt sociale vaardigheden, zoals niet opgeven wanneer het even tegenzit, open staan voor suggesties en aanwijzingen van de docent of medeleerling, zaken leren bekijken vanuit een ander perspectief.
Hoe die discussie afliep? De twee leden voorkwamen in elk geval de conclusie dat het aanleren van sociale vaardigheden via buitenschoolse activiteiten zo belangrijk geacht werd dat het aantal uren lezen, schrijven en rekenen maar moest verminderen.

Afleidingsmanoeuvres

In het gunstigste geval wordt een misleidende tegenwerping gemaakt door personen die uw argumenten niet hebben begrepen of gevolgd. Door kort aan te geven waar het werkelijk om gaat, krijgt u die weer in het juiste spoor. Bezwaren die weinig met de zaak te maken hebben, worden ook wel gemaakt door opponenten die uw aandacht en die van andere aanwezigen willen afleiden van de zaak in kwestie. Wanneer u op die tegenwerping antwoordt dat die kant noch wal raakt, kunnen andere toehoorders de indruk krijgen dat u het argument snel terzijde wilt schuiven. silent.jpgU kunt beter even toelichten waarom die tegenwerping niets met de zaak te maken heeft. Maar dat geeft de opponent weer de gelegenheid om op die toelichting in te gaan en uw betoog verder op een zijpad te voeren. U staat dus voor een lastige opgave. U wilt verder met de hoofdlijn van uw argumentatie en wilt de aandacht niet afgeleid zien door onbelangrijke details. Maak van uw nadeel een voordeel. U krijgt door die tegenwerping de kans om de kern van een zaak of kwestie nog eens duidelijk te formuleren. Met een opmerking als: u noemt hier weer een detail, waarvan ik niet wil beweren dat het onbelangrijk is. Waar het echter in de eerste plaats om gaat is…, verheldert u uw stellingname. Wanneer een opponent herhaaldelijk zo'n afleidingsmanoeuvre probeert, kunt u dat aan de kaak stellen. U vraagt of het zijn bedoeling is de discussie op een zijspoor te voeren, want hij heeft dat nu herhaaldelijk geprobeerd.

Onjuiste bewering

Soms weet een politicus een kritische vraag van zijn angel te ontdoen. Hij roept bijvoorbeeld dat de vragensteller uitgaat van een onjuiste veronderstelling. Het effect van die truc is dat de gestelde vraag niet van belang is. Ook ondervragers in de Tv-rubriek Buitenhof worden met deze truc op het verkeerde been gezet. In een vraaggesprek op 14 december 1997 met de Belgische minister De Clerck stelt de ondervrager Peter van Ingen aan de orde: u bent nu twee jaar in functie als minister van justitie. Maar aan de rechtspraak is nog niets veranderd. Veel Belgen geloven niet meer dat er als gevolg van de zaak van de verdwenen en vermoorde kinderen die in augustus 1996 veel beroering veroorzaakte, nog iets verandert. De benoemingen van rechters en andere gezagsdragers van de rechterlijke macht zijn nog steeds politieke benoemingen.
Het antwoord van de aangevallen minister volgt prompt: Nee, nee, fout, manifest fout. De Clerck ondersteunt zijn ontkenning met het argument, dat de benoemingen niet door politieke of partij overwegingen ingegeven zijn. Voor alle benoemingen wordt een examen geëist. Handig voegt De Clerck eraan toe "dat men niet zo met een zekere sfeer naar België moet kijken". De ondervrager reageert op deze beschuldiging van een misprijzende houding tegenover België met: "Excuses, nee, nee, dat wil ik ook helemaal niet". De aandacht is handig verschoven. De ondervrager gaat niet in op dat ‘examen’. Hij vraagt niet wat dat ‘examen’ dan inhoudt. Dat komt waarschijnlijk ook omdat hij niet weet dat een ‘examen’ in België niet veel meer hoeft in te houden dan een onderzoek naar referenties. Dus niet een onderzoek of de persoon in kwestie enige juridische scholing heeft gehad, of op andere wijze gekwalificeerd is voor de betreffende functie.

Wie erop let, merkt dat politici vele malen de kans krijgen hun ondervrager op die manier af te troeven. Tijdens een interview krijgt een politicus de vraag voorgeschoteld, wat er gedaan wordt aan het cellentekort waardoor veel veroordeelden niet in de cel belanden maar naar huis gestuurd worden. Het antwoord van de politicus was verrassend voor de ondervrager en de toehoorders: er zijn eigenlijk meer dan genoeg cellen. Maar die worden bezet door illegaal in Nederland verblijvende buitenlanders. De verrassing van de ondervrager blijkt uit de manier waarop hij reageert. Hij vraagt niet dóór. Bijvoorbeeld, hoe zit het dan met de krantenberichten over de vele druggebruikers die een groot deel van de beschikbare celruimte in beslag nemen? Waarom laten officieren van justitie dan de illegaal hier verblijvende personen niet lopen om criminelen te kunnen vasthouden? De ondervrager kiest de weg van de minste weerstand en mompelt: We nemen eens een ander onderwerp.

Onjuiste redenering

Een andere manier om de boodschap van zijn waarde te ontdoen, is aanwijzen dat de redenering niet klopt. Een op het eerste gezicht eenvoudig voorbeeld is het volgende.
U beweert nu wel dat de verkeersintensiteit op die weg sterk is toegenomen, maar de laatste tellingen wijzen dat niet uit. Het is natuurlijk wel zaak dat uw bewering juist is. Maar pas op dat uw opponent u geen valstrik zet. U heeft bijvoorbeeld gezegd dat het verkeersaanbod op die weg is gegroeid. Uw opponent heeft het echter over verkeersintensiteit. Maar verkeersintensiteit is wat anders dan verkeersaanbod. Een toegenomen aanbod hoeft zich niet te vertalen in een verhoogde verkeersintensiteit, d.w.z. in het aantal auto's dat in een bepaalde periode voorbij rijdt. Bij het gebruik van stoplichten wordt dat groter verkeersaanbod merkbaar in het ontstaan van files. Daardoor kan zelfs de verkeersintensiteit terug lopen.


In de Tweede Kamer lopen volksvertegenwoordigers rond die een tekort aan logisch redeneren ten toon spreiden. Twee kamerleden, één van PvdA en de tweede van het CDA, dienen in april 2014 een initiatiefwetsvoorstel in om de leerplicht te verlengen tot 21 jaar. Hun beweegreden daarvoor is een onderzoek dat als uitkomst formuleerde:

Jongeren die de school vroegtijdig verlaten, belanden vaker in de criminaliteit.

Deze volksvertegenwoordigers nemen de suggestie over die in deze formulering schuil gaat: de oorzaak van het belanden in de criminaliteit is het vroegtijdig verlaten van de school. De mogelijkheid dat in deze formulering oorzaak en gevolg zijn omgedraaid, wordt door beiden niet overwogen. De geaardheid van deze jongeren kan de reden zijn dat ze de schoolopleiding zo snel mogelijk verlaten en op andere wijze in hun onderhoud willen voorzien. In politieke kringen is zo'n verklaring niet politiek correct. Daar kan hoogstens worden gesproken over "niet gemotiveerde jongeren" en daar valt via wetgeving nog wat aan te doen. Nog steeds tonen dit soort patriarchale politici een onwrikbaar geloof in de maakbare samenleving.


Op 25 april 2014 kwam het journaal met de volgende redenering:

Je ziet de rente die ze over [staatsleningen] moeten betalen steeds verder oplopen, [...] dus het wordt steeds duurder voor de Russen om de economie gaande te houden.

Dit is afkomstig uit het nieuws waar het merendeel van de Nederlanders dagelijks hun portie waarheid vandaan denkt te halen, maar het gaat hier om gruwelijke desinformatie.

Het journaal wijst de hoge rente op staatsobligaties aan als rechtstreekse veroorzaker van slechte economische omstandigheden. De redenering van het journaal is er één die helaas alom vertegenwoordigd is in het socialistische Nederland. Die berust op de Keynesiaanse aanname dat een overheid via monetair beleid een economie kan en moet stimuleren. De overheid zou door (geleend!) geld uit te geven, de economie aanzwengelen. Echter, als het zo eenvoudig zou zijn, zou er geen armoede meer zijn op de wereld. Hoe goed dat werkt, hebben de zuidelijke lidstaten van de Europese Unie aangetoond. Door enorme schulden op te bouwen en dus zogezegd de economie aan te zwengelen, is Zuid-Europa in een diep gat gevallen.

Rentes op staatsobligaties zijn hoog, omdat men verwacht dat de kans om het geld terug te krijgen (relatief) laag is. Dat geeft op zichzelf al te denken. Als je inderdaad met overheidsgeld de economie kunt aanzwengelen, dan is dat geld toch gemakkelijk terugverdiend, zoals dat werkt met goede investeringen? De overheid produceert echter niets en creëert dus ook geen waarde. Het enige wat de overheid doet, is met geld schuiven. Wanneer geleend geld wordt gebruikt om zogenaamd de economie gaande te houden, komt die rekening op een later moment keihard weer terug. Een hoge rente op staatsobligaties is dus niet de oorzaak dat het aanzwengelen van de economie niet werkt, maar daarvan juist een gevolg. Ook in Rusland waar de economie net als in ons eigen land niet te lijden heeft aan gebrek aan overheidsingrijpen.

Versluierende taal

Alleen al door onzuiver woordgebruik kan een hele bevolkingsgroep op het verkeerde been worden gezet. De manier waarop politici soms gebruik maken van het woord 'verantwoordelijkheid', is daar een voorbeeld van. Het woord verbergt herhaaldelijk dat mensen bepaalde plichten krijgen opgelegd. We zijn er met z'n allen verantwoordelijk voor dat de premies voor de WAO omlaag gaan. Er moeten dus maatregelen genomen worden om de instroom van WAO'ers tegen te gaan. Maar echte "verantwoordelijkheid" gaat samen met zeggenschap. Wanneer mensen niet de mogelijkheid hebben om aan de situatie iets te doen, kan men hun niet de plichten opleggen die met die verantwoordelijkheid samenhangen.
In ondernemingen zien we soms hetzelfde spel. Werknemers krijgen de "verantwoordelijkheid" om zelf toe te zien op bijvoorbeeld het terugdringen van het ziekteverzuim, het opnemen van vakantiedagen, de bevoorrading van hun productie-eenheid en de omvang van de productie die zij leveren. Die taken werden voorheen door het middenkader in een bedrijf uitgevoerd. Dat middenkader is door veel ondernemingen met meer of minder zachte hand verwijderd. Het resultaat is: minder mensen krijgen meer taken en verplichtingen. Maar de bevoegdheid om maatregelen te nemen om die verantwoordelijkheid volledig te kunnen dragen blijft meestal in handen van de leiding van de onderneming. Dat leidt tot verhoging van de werkdruk en het uitstoten van werknemers die deze ontwikkeling niet bijbenen.

Verhullend taalgebruik

Een ander voorbeeld is het gebruik van het woord 'concentreren' in de uitspraak: het autoverkeer in de stad wordt tegen gegaan door hoofd- en verzamelwegen in te richten. De hoofdwegen in een stad concentreren het binnenkomend en uitgaand autoverkeer. Concentreren houdt in dat buiten de hoofdwegen, dus in de wijken en straten minder auto's aanwezig zijn. De realiteit leert anders. De hoofdwegen maken het de auto gemakkelijker om de stad binnen te komen, zuigen daardoor zelfs autoverkeer aan. Op de hoofdwegen en in de wijken zal dat leiden tot verdichting van het autoverkeer.
In de politieke discussie duikt versluierend woordgebruik steeds weer op. In 1999 wordt in Rotterdam gesproken over het aanleggen van een derde brug. Een extra oeververbinding is natuurlijk nooit weg. Want andere grote steden langs de Rijn hebben er vaak veel meer. Keulen bijvoorbeeld heeft er zeven. Wanneer het gemeentebestuur van Rotterdam in allerlei studies uitspreekt, dat het gemotoriseerd verkeer uit de stad geweerd zal worden, roept dat de vraag op welke functie die brug dan heeft. Moet het autoverkeer gemakkelijker toegang krijgen tot de stad? Moeten ringwegen rond de stad ontlast worden door een stroom doorgaand autoverkeer door de stad heen te leiden? Of is die derde brug bedoeld om het openbaar vervoer en het langzame verkeer doelmatiger te maken? De antwoorden op die vragen werden tijdens een informatieavond op 19 april 1999 van de Bewonersvereniging Kralingen-Oost door bewoners met enige spanning tegemoet gezien. Die spanning steeg toen de ontwerpers de aanleg van de brug aanprezen met uitspraken die met de term 'gebakken lucht' gekarakteriseerd kunnen worden. De brug werd een hoogwaardige structurele ruimte, een versterking van de kwaliteit van de oevers, een nieuwe centraliteit in het hart van de rivier, een hecht onderdeel van de openbare ruimte van een stad in continue transformatie. Het zijn uitspraken die zich loszingen van de werkelijkheid en een hoog gehalte aan humbug bevatten. Uiteindelijk kwam de aap uit de mouw. Uitspraken als oriëntatie op de snelweg, auto's moeten de stad kunnen aandoen, één van de routes om in de stad te komen, gaven de nauwelijks verhulde bedoeling weer: de brug moet toch ook (en vooral?) het autoverkeer bedienen. Dat bewoners daarop reageerden lag voor de hand. Op vragen hoe het dan zat met het terug dringen van het autoverkeer in de stad, kozen de inleiders haastig een zijweg. De brug zou vooral het openbaar vervoer en het langzame verkeer ten goede komen. Maar op vragen van bewoners of er vier rijbanen voor gemotoriseerd verkeer zullen komen, was het antwoord bevestigend.

Massa argument (Argumentum ad populum)

Dit is de drogreden dat iets wel waar moet zijn omdat vele mensen geloven dat het waar is. Enkele voorbeelden: "Al duizenden jaren geloven mensen in de bijbel en Jezus, wil je beweren dat al die mensen gek zijn?" of: "Zo'n twee miljard mensen zijn christen, dat zegt toch wel iets?"
Dit is zowel een denkfout als een retorische truc. De denkfout is dat niet gerefereerd wordt naar de werkelijkheid, maar wat mensen denken over de werkelijkheid - een jurist zou zeggen: "Dit is 'van horen zeggen', dus geen toelaatbaar bewijs." Ook het aantal maakt hierin niet uit, want honderd maal niets is nog steeds niets. Of met een Rotterdamse zegswijze: "Als honderd man in de Maas springen, dan spring je er toch ook niet achteraan..."
De retorische truc zit erin dat mensen, als afstammelingen van groepsdieren, erg gevoelig zijn voor groepsdwang en aanverwante vormen van conformisme. Die gevoeligheid van de mens voor dit soort groepsdenken is ook wetenschappelijk onderzocht. De test hiervan gaat als volgt: aan een kamer met ca. veertig mensen wordt op de linkerkant van een scherm een beeld van drie staafjes getoond, een kleinere, een middelste, en een grotere. Aan de rechterkant staat een enkel staafje, en de vraag aan het publiek is: welk van de staafjes aan de linkerkant is even groot als het rechter staafje, zie hieronder:

Het is duidelijk, maar niet overduidelijk, dat dit de middelste is. Duidelijk betekent hier dat vrijwel iedereen voor het middelste staafje stemt. Nu wordt het publiek opdracht gegeven voor het linker, foute, staafje te stemmen. In de kamer wordt de proefpersoon binnengelaten. Weer wordt de vraag gesteld: Welk staafje is even groot als het rechter? en iedereen in de kamer stemt openlijk voor het foute. Wat doet onze proefpersoon? Het resultaat is dat in circa tachtig procent van de gevallen de proefpersoon met de fout van de menigte meestemt. Dat is groepsdenken.

Onderwerp versmallen

Een voorbeeld waarbij de discussie versmalt tot aspecten waarop de spreker kan scoren, is het volgende. Tijdens een behandeling van een voorstel om de binnenstad van Amsterdam voor auto's af te sluiten, spitst een bewoner van die binnenstad de discussie toe op de argumenten: auto's bezorgen enorme overlast, de bewoners hebben er recht op dat de binnenstad bewoonbaar en leefbaar blijft, de automobilisten zelf kunnen in deze verkeerschaos met hun auto nergens meer komen, het openbaar vervoer biedt geen oplossing. Ergo, afsluiten is de enige mogelijkheid. U speelt een 'thuiswedstrijd', wanneer u het probleem in kwestie kunt versmallen tot een sterk vereenvoudigde stelling.
In een discussie verraste een spreker zijn opponent met de uitspraak: in die biologisch-dynamische landbouwmethode geloof ik niet, dat is iets voor...liefhebbers. De opzettelijke pauze voor het uitspreken van het woord "liefhebbers" moet de indruk wekken dat aanhangers van deze landbouwmethode eigenlijk niet ernstig te nemen zijn. In veel confrontaties van politici en bestuurders met de milieubeweging wordt die truc toegepast. Een ander voorbeeld daarvan is: het mag duidelijk zijn dat elke poging om de groei van de economie tegen te houden om de vogels en bloemetjes te behouden ten koste gaat van werk en inkomen. Dat soort pogingen is iets voor … milieufreaks.
Deze uitspraak staat bol van de negatief geladen associaties. Het gebruik van de woorden ‘vogels’ en het verkleinwoord ‘bloemetjes’ als representant van de bedreigende milieuvervuiling is een eerste poging om het gedachtengoed van de opponent te kleineren. Het woord ‘soort’ krijgt door die woordkeus ook een negatieve lading. De opzettelijke pauze voor het uitspreken van ‘milieufreaks’ en natuurlijk dat woord zelf moeten dan de opponent in de hoek van de onpraktische wereldverbeteraars zetten. Het is opmerkelijk dat dit soort redeneertrucs steeds opnieuw opduikt. Meestal worden ze door gewiekste debaters vrij gemakkelijk weerlegd. Een korte uiteenzetting over de omvang en de gevaren van de milieuvervuiling, onderbouwd met het verwijzen naar resultaten van onderzoek over de situatie, kan deze truc het effect van een boemerang geven.

Kromme analogie

Het gebruik van overeenkomstige situaties kan een stelling verduidelijken. Het is ook een manier om uw bewering te ondergraven.

Voorbeeld van geforceerde analogie

Neem die man toch in dienst, natuurlijk, hij heeft gezeten, maar moet hij daarom weer stelen? Wanneer jij uit het ziekenhuis ontslagen bent na een val van je dak, klim je toch niet onmiddellijk weer op dat dak?

Een bijzondere vorm van de geforceerde analogie is die van de communicerende vaten. Op woensdag 18 september 1996 heeft Paul Witteman in het Tv-programma Nova een gesprek met de ministers Jorritsma en De Boer, respectievelijk van het ministerie V&W en VROM. Op zijn vraag of er niet eindelijk eens een scherpe grens gesteld moet worden aan de uitstoot van broeikasgassen op de luchthaven Schiphol, roepen de dames bijna in koor: ja maar dan nemen de vliegvelden in Parijs en Frankfurt die vluchten over. Hun redenering is: wat hier op Schiphol wordt verhinderd, wordt dan op die vliegvelden de lucht ingeblazen. Met een zelfde redenering kan de kweek en fabricage van cocaïne, softdrugs en XTC-pillen worden toegelaten. Het excuus van de dames doet vermoeden dat hun verantwoordelijkheid voor het milieu ophoudt bij de landsgrens. Als zou blijken dat een beperking aan de groei van Schiphol tot gevolg heeft dat het vliegverkeer op naburige vliegvelden toeneemt, dan ontslaat dat verantwoordelijke personen niet van de plicht te waken over het woon- en leefklimaat van met name omwonenden van Schiphol en te zorgen voor een terug dringen van het Nederlandse aandeel in het broeikaseffect. Bovendien is het de vraag of de veronderstelde éen op éen-relatie tussen het aantal vliegbewegingen op Schiphol enerzijds en Frankfurt en Parijs anderzijds wel opgaat. Misschien kiest een aantal reizigers dan voor minder milieubelastende middelen van vervoer of neemt zijn toevlucht tot bijvoorbeeld een videoconferentie.

Een karikatuur van wat ik bedoel

Een bekende techniek is het bestempelen van de mening van een opponent als "een karikatuur van wat ik bedoel". Met zo'n uitspraak hoopt uw opponent uw argumentatie als niet realistisch, dus onbruikbaar te kwalificeren en zich te onttrekken aan het aanvoeren van argumenten. Wanneer een spreker die truc herhaalde malen toepast, is het tijd dat u zich daartegen wapent. Probeer dat om te beginnen op een vriendelijke doch besliste manier: waarom is het een karikatuur als ik zeg. . .. Een volgende keer kunt u reageren met: dat zegt u wel gemakkelijk, maar is alleen daardoor nog niet waar. Blijft een spreker die redeneertruc hanteren, dan wordt het tijd hem duidelijk te maken dat u niet gediend bent van die kunstgreep: wat u daar beweert, is geen billijke reactie. Ik vind de kwaliteit van onze discussie niet gediend met dit soort etiketten. Toont u nu eerst eens aan waarom dit nu weer een karikatuur is. Een bekende truc is: ik laat geen zwakheden, geen gevoelens zien; ik voel me in verlegenheid gebracht, maar ik houd me groot. Vooral mannen lijken de neiging te hebben gevoelens af te houden; gevoelens zijn immers vaak onlogisch, teer, pijnlijk. Er komt zo misschien iets naar voren, wat het mannelijk imago van kracht en soevereiniteit verzwakt.

Verkrampte ideologie

Sinds het midden van deze eeuw is onder anderen door existentialisten als Sartre, door Habermas (behorend tot de Frankfurter Schule) en in Nederland door Nauta, het gevaar van ideologisch denken gesignaleerd. Ideologisch denken kenmerkt zich door een gesloten wereldbeeld, waarin men uitgaat van het eigen gelijk, de eigen visie als de enige ware en juiste ziet, en tegelijkertijd niet beseft dat de aangehangen ideologie een kwestie is van een keuze, die vatbaar is voor discussie. In een verkrampte ideologische denkwereld zijn debatten onnodig en ongewenst; argumenten gelden niet, of zij nu feitelijk dan wel moreel of politiek van aard zijn. Dit denken is in de wortel ondemocratisch. Voor vrijheid van meningsuiting is geen plaats. Morele belangen hoeven niet te worden afgewogen, er is maar één belang; elke nuance is dat ideologisch denken vreemd.
Zij die zo'n ideologie ter discussie willen stellen, worden als ketters aangemerkt. Die zijn vogelvrij, zij hebben zich buiten de groep geplaatst en mogen dan ook afgemaakt worden (soms ook in de meest letterlijke zin). Ideologisch denken betekent de slaap der rede en die brengt, zoals de geschiedenis leert, monsters voort.
Een voorbeeld deed zich voor begin februari 1999. Toen brandde een debat los naar aanleiding van enige uitspraken van Heleen Dupuis, hoogleraar medische ethiek aan de RU Leiden, in het Tv-programma Schaduwkabinet. Haar uitspraken waren bedoeld als een bijdrage aan een debat over de Nederlandse omgang met asielzoekers. Zij stelde toen de vraag wie onze naaste is en wat wij bereid zijn in te leveren teneinde die naaste te helpen.
In de ogen van een aantal journalisten had zij deze vraag niet mogen stellen. Haar pleidooi voor een 'time-out' om onszelf de kans te geven ons af te vragen hoe het verder moet, nu zelfs de betrokken bewindsman zich heeft uitgelaten in termen van 'ontploffing' van het asielbeleid, was in hun ogen politiek zo incorrect, dat men het niet nodig vond om haar argumenten serieus te nemen. Een echt debat over een zaak als deze bleek per definitie verwerpelijk. De opponenten weten het al, hun standpunten liggen vast. De ketter werd voor alles uitgemaakt: foute trut, vermorzelen moet je ze en wat gaat er in zo'n hoofd om (Jan Mulder in een interview in Elsevier), die vrouw wil helemaal niet debatteren, die weet het al (Maria Henneman), ongelooflijk naïef (Thom de Graaff van D66), een kloon van Bolkestein (kennelijk bedoeld als een ernstig verwijt). Vooral was zij 'rechts', 'volslagen door de mand gevallen' en 'immoreel', zoals de Middageditie en Radio 1 met een programma 'de ethiek van Heleen Dupuis' probeerden aan te tonen.
De inhoud van de ideologie die op de achtergrond van dit alles staat, is niet zo eenvoudig te vatten. Het moet ongeveer zoiets zijn: Nederland heeft plaats voor alle mensen die ergens ter wereld het slechter hebben dan wij, ongelukkig zijn of weg willen. Dat is een onbeperkte morele plicht, waarvoor elk ander belang moet wijken. Een nobele gedachte maar tegelijkertijd een grenzeloos altruïsme, dat in de praktijk onhoudbaar is. Voor hen die daarvan het 'slachtoffer' zijn, pakt dat altruïsme vaak beroerd uit. Ze kwijnen bijvoorbeeld jarenlang diep ongelukkig weg in een asielzoekerscentrum. Altruïsme is een prijzenswaardige morele positie. Maar het onbelangrijk achten van de eigen belangen is een keuze die alleen een individu voor zichzelf kan maken. Deze keuze aan anderen opleggen is een ander verhaal.
Het is lastig om ideologieën aan de kaak te stellen en een echt debat te krijgen over dergelijke verscholen denkbeelden. Helaas laten veel anderen die niet aan een verkrampte ideologie lijden, zich erdoor overheersen.

Woordengordijn

discuss_blabla.gif

Dinsdag 7 januari ‘s middags tijdens het vragenuurtje in de Tweede Kamer zocht mevrouw Sipkes, kamerlid voor Groen Links, haar toevlucht achter een gordijn van woorden. Zij werd door verschillende politici in het nauw gebracht die haar een uitspraak wensten te ontlokken over de gevolgen van haar voorstel. De overheid mocht volgens haar in geen geval uitgeprocedeerde asielzoekers die niet meewerkten om naar hun land van herkomst terug te gaan, op straat zetten. Een uitermate sympathiek voorstel, dat echter ook op z'n gevolgen beoordeeld moet worden. Vertegenwoordigers van andere partijen in de Kamer probeerden haar in het nauw te drijven door haar te vragen: u wilt dus dat alle asielzoekers altijd recht hebben op verzorging door de overheid? Ook wanneer die niet meewerken om naar hun land van herkomst terug te gaan? Het was duidelijk dat mevrouw Sipkes met het antwoord op die vraag in haar maag zat. Ze wilde geen ‘Ja’ en vooral geen ‘Nee’ zeggen. Ze vluchtte steeds achter een gordijn van woorden om een echt antwoord te kunnen ontlopen. Kenmerken van dat woordengordijn zijn omslachtige formuleringen, uitweidingen, details en herhalingen die vaak beginnen met: zoals ik al eerder zei.

Eufemismen

Wanneer de politiek de burger minder prettige boodschappen moet vertellen, doet ze dat bij voorkeur met een stortvloed aan verhullende termen. De afbraak van de sociale zekerheid heet 'modernisering', het afschaffen van verworven rechten zoals de extra beloning voor overwerk en de vrije zaterdag, wordt verkocht als 'flexibilisering', en de introductie van marktwerking in de gezondheidszorg zou plaats vinden om de 'eigen verantwoordelijkheid' van de mensen te vergroten. De truc achter al die eufemismen is, dat steeds wordt gekozen voor een term die iets suggereert waar geen redelijk mens bezwaar tegen kan hebben: wie wil er nu niet 'modern' zijn, wie wil niet als 'flexibel' door het leven gaan, en wie is niet trots op zijn 'eigen verantwoordelijkheid'? Uiteindelijk merkt de burger toch dat hij bedrogen is.

De woordenvloed

Een vaak gebruikte tactiek van politici is de opponent niet aan het woord laten komen. In een uitzending van het Tv-programma Het Capitool op 29 mei 1994 hanteerde mevrouw Hedy d'Ancona die tactiek in een discussie met mevrouw May-Weggen. Voor de opponent is die tactiek lastig te doorbreken. Zeker als de voorzitter van het panel, in dit geval Henk van Hoorn, de beide dames 'tekeer laat gaan' en maar één keer opmerkt dat het verstandig zou zijn niet door elkaar heen te praten. Het kan natuurlijk zijn dat hij met opzet zo weinig ingreep bijvoorbeeld om de felheid van de discussie niet te verstoren. Discussieprogramma's op televisie kunnen best wat 'spektakel' gebruiken. Maar de tactiek van haar opponent werd mevrouw May-Weggen toch te dol. Ze probeerde via de gesprekleider weer eens zelf aan het woord te komen. Ze richtte zich tot hem met de woorden: kan ik nu reageren, want ik krijg nu een golf van woorden over me heen. Ik kom er haast niet tussen. Die poging van May-Weggen bleek niet voldoende.
Sommige sprekers en spreeksters storten een vloed van woorden over u uit. Wie bijvoorbeeld Karin Adelmund van de PvdA wel eens heeft gehoord, begrijpt wat ik bedoel. In het programma Buitenhof op 5 april 1998 gooide ze weer eens alle remmen los. In een debat met Gerda Verburgt van het CDA liet zij in een ongelooflijk snel tempo een vloed van woorden op haar opponent los.
Het gevaar van een dergelijke manier van spreken is dat toehoorders al na twee in ongelooflijk tempo uitgesproken zinnen de draad kwijt zijn. Wanneer dat bovendien gepaard gaat met uitvallen naar de interviewer als: laat mij even uitpraten, of: luister nou even, dan versterkt dat de indruk dat er een mitrailleurvuur van woorden op iedereen in haar buurt wordt gericht. Wanneer de opponent dan de kans krijgt iets terug te zeggen, wordt die herhaaldelijk onderbroken. Begint die interruptie van de opponent dan met een kreet als: kom niet met die grijs gedraaide plaat aan, dan heeft de toehoorder de indruk tegenover een praatmachine te zitten die met verbaal geweld de ander de mond wil snoeren.

Wanneer u als opponent tegenover zo'n spreker zit, is het niet gemakkelijk om ook eens wat in het midden te brengen. U krijgt de neiging om ook haastig te gaan spreken om tenminste in de weinige seconden spreektijd die u kunt veroveren zoveel mogelijk te zeggen. Maar u kunt er zeker van zijn, dat de mitrailleur dan nog sneller en harder gaat ratelen. Goede raad is duur. Probeer eerst de voorzitter of gespreksleider ertoe te bewegen tijdig de woordenvloed te onderbreken. Laat bijvoorbeeld de betreffende spreker merken dat die manier van discussiëren met name voor de toehoorders weinig informatief is. Maar hoe doe je dat?

Laat de praatmachine een tijdlang begaan. U maakt dan ondertussen op papier met kernwoorden een aantekening waar u het straks over wilt hebben. U gokt er ook op dat luisteraars na enkele in mitrailleurtempo uitgesproken zinnen de draad al kwijt zijn. Die zullen er niet rouwig om zijn als de monoloog onderbroken wordt. Tegelijk komt u erachter of de gespreksleider het gesprek kan sturen en de dialoogvorm kan handhaven. Zo niet dan moet u zelf ingrijpen.

Na zo'n 30 tot 45 seconden verbaal geweld van de opponent richt u zich tot de gespreksleider met de woorden: kan ik nu reageren op deze golf van woorden? Meestal vervallen dergelijke sprekers in dezelfde fout. Als de opponent na een tijdje weer dezelfde tactiek toepast, wordt uw verweer scherper: op die manier wordt dit geen discussie maar een monoloog. U kunt zonodig later opnieuw laten merken dat u het met die tactiek niet eens bent: u hanteert weer de monoloogvorm. Het lijkt wel alsof u wilt voorkomen dat er tegenwerpingen komen. U bent daar toch niet bang voor?

Verschillen stapelen

Een manier om een opponent te verhinderen op een onderwerp te reageren is: het zonder pauze opvoeren van een reeks verschilpunten. Wanneer de gespreksleider niet bedreven genoeg is om dat soort trucjes te ondervangen, komt u nauwelijks meer aan het woord.

Een manier om die tactiek te dwarsbomen bleek de volgende: wat u nu allemaal aanstipt, zijn allemaal interessante aspecten. Maar als het er in deze discussie om moet gaan verschillen van benadering te ontdekken, lijkt het zinvol om die punt voor punt te bespreken. Tenzij u er prijs op stelt in één keer alle punten die u kunt verzinnen op te sommen. Wanneer u dan een benadering kunt geven van de tijd die u daarvoor wilt gebruiken, dan kunnen we zien of er nog tijd is voor een gesprek.

De graafwesp

De ervaring leert dat de overheid nogal eens de neiging vertoont om zich te verschansen achter stapels rapporten, nota's, notulen, discussiestukken en hoe die documenten verder mogen heten. Het zicht op de werkelijkheid buiten die papieren muren is dan verdwenen. Als dan het overheidsapparaat niet of nauwelijks beschikt over de noodzakelijke kennis en deskundigheid, dan leidt dat tekort er gemakkelijk toe zich te beroepen op normen en controlemaatregelen. Een overheidsdienst kan zich zo diep in die papieren wereld ingraven dat zij niet meer in staat is die fictieve wereld te onderscheiden van de realiteit. Elke oproep van de burgers om de ogen te openen en de werkelijke situatie onder ogen te zien, door bijvoorbeeld tegenrapporten op hun waarde te beoordelen, wordt afgewezen.
De commissievergadering op 14 september in de gemeente Muiden is al eerder genoemd. Het ging daar over het wel of niet toekennen van een vergunning voor het inrichten van een composteerbedrijf. Tijdens die vergadering gaf een vertegenwoordigster van de Provinciale Inspectie voor de volksgezondheid en hygiëne antwoorden op vragen uit het gehoor. Die antwoorden waren voor velen niet bevredigend. De vertegenwoordigster van deze dienst bleef zich verschuilen achter bestaande normen, te nemen maatregelen en controles, die alle gezondheidsrisico's voor de betreffende bewoners wel zouden afdekken.

Het lukte de bewoners de spreekster uit haar schuttersput te trekken. Die rapporten. nota's en normen werden door de bewoners als papieren tijgers bestempeld. Zij wezen op de gebeurtenissen in de Brabantse gemeente Oosterhout waar in 1994 na veel inspanningen van de zijde van de bewoners een afvalverwerkend bedrijf is gesloten. De overlast van dat bedrijf werd in de hand gewerkt omdat de overheidsinstelling die de vergunning afgaf, er tegelijk belang bij had dat het bedrijf bleef bestaan, en bovendien de controle op dat bedrijf moest uitoefenen. Ondanks vele, omstandige uiteenzettingen kon de vertegenwoordigster van de Provinciale inspectie toch niet ontkennen dat ook in de gemeente Muiden een dergelijke verstrengeling van belangen plaats zou vinden. Daar kwam als klap op de vuurpijl nog bij dat zij de bewoners niet kon verzekeren dat het bedrijf geen overlast zou veroorzaken.

De loopgraaf

Soms kiezen sprekers een standpunt waarmee zij zichzelf in een loopgraaf manoeuvreren, die ze niet in staat blijken te verlaten. Een raadslid in de gemeente Muiden wilde andere raadsleden en burgers in de zaal ervan overtuigen dat de gemeenteraad en B&W eerder gedane toezeggingen moesten nakomen. Tijdens een commissievergadering op 14 september 1994 in de gemeente Muiden demonstreerde het raadslid deze houding. Met zijn beroep op aangegane verplichtingen van de raad kreeg hij de handen niet op elkaar. Het standpunt van de burgers was: de toezegging aan de composteerinrichting is aan een strikte voorwaarde gebonden. De vergunning wordt alleen gegeven als vaststaat dat de bewoners geen overlast zullen ondervinden. Als het raadslid dan spreekt over gedane beloftes en gewekte verwachtingen bij de betreffende firma, lijkt hij aan die gestelde voorwaarde geen belang te hechten. Zijn opvatting komt neer op: ik kijk alleen naar de conclusies in het milieu effecten rapport dat de betrokken ondernemer heeft laten maken. Als daar te lezen staat Geen gezondheidsrisico's, dus geen bezwaar, dan is voor hem de kous af en voelt hij zich gebonden aan de gedane toezeggingen. Dat hij zich zo langzamerhand in een loopgraaf had verschanst, werd hem van veel kanten onder ogen gebracht. Hij leek weer wat tot bezinning te komen toen hij opmerkte dat zijn beslissing anders zou uitvallen wanneer hij toen wist wat hij nu weet. Uit de zaal werd hem vervolgens gevraagd of een volksvertegenwoordiger op grond van ontvangen informatie een eerder gedane toezegging kan 'terug draaien'. Zijn antwoord bestond echter uit een herhaling van zijn relaas over aangegane verplichtingen en te volgen procedures. Hij hield stijf en strak vol dat hij niet in staat was een rapport van een deskundige kritisch te lezen om te constateren of bijvoorbeeld de conclusies logisch voortvloeien uit het voorgaande. Hij kon - naar zijn zeggen - alleen maar afgaan op de conclusies die de deskundige vermeldde en zich daarbij neerleggen. Alle tegenwerpingen dat bijvoorbeeld conclusies van deskundigen zeer vaak naar de opdrachtgever toe geschreven zijn (zie NRC 9 september 1994) en dat de lezer geen 'superdeskundige' hoeft te zijn om een rapport op z'n consistentie te beoordelen, brachten hem niet van dat idee af. Ook de opmerking dat van een raadslid toch gevergd mag worden dat hij tenminste beschikt over het vermogen een rapport kritisch te lezen omdat hij anders altijd als een lemming achter elk 'deskundigenrapport' aanholt, bracht hem niet op andere gedachten. De argumenten waarmee werd gepoogd hem de keerzijde van die denktrant te laten zien, hielden niet op. U geeft daarmee toch eigenlijk toe dat dan niet de verantwoordelijke bestuurder regeert, maar de deskundige? Wie uw redeneertrant consequent volhoudt, speelt toch 'deskundigen' een instrument in handen waarmee zij volksvertegenwoordigers gemakkelijk in elke gewenste richting kunnen sturen? Een onderzoeksbureau hoeft dan in zijn conclusies alleen maar de gewenste uitkomst aan te prijzen en kan u zelfs tot malafide beslissingen forceren. Zelfs een verwijzing naar de uitkomst van een onderzoek ingesteld door de BVD, waarin gewezen wordt op het groeiend aandeel van de 'milieumaffia', deed het raadslid niet van gedachten veranderen.

Bewijslast verschuiven

Een bekende truc is de opponent aan te sporen iets te bewijzen, terwijl de spreker zelf de bewijsvoering voor zijn uitspraken achterwege laat. Op 16 juni 1998 verscheen in De Volkskrant een Forumartikel van PvdA-kamerlid Rob van Gijzel. Dat stuk is een reactie op de rubriek Het Spel & De Knikkers van 16 mei 1998 ook in De Volkskrant. Waar gaat het over? Daags voor de verkiezingen in dat jaar stuurde minister Jorritsma van Verkeer en Vervoer een nota over de toekomst van het spoor naar het kabinet. Hierin wordt een hervorming bepleit die uitgaat van concurrentie om het spoor: vervoerders moeten concurreren om het recht te verwerven een deel van het spoornet te mogen exploiteren. Het systeem is geïnspireerd op de veranderingen die zich hebben voltrokken rond het Britse spoor. Jorritsma's nota kon het kabinet niet overtuigen. De hervorming werd een formatieonderwerp. Van Gijzel, de 'spoorspecialist' van de sociaal-democraten reageerde snel. Daags voor de verkiezingen produceerde hij anderhalf A4-tje waarop Twaalf punten voor een kwalitatief sterk en sociaal spoorvervoer stonden opgesomd. Fractiechef Wallage bracht het standpunt naar buiten. De onderbouwing van het PvdA-standpunt leunde nu sterk op een inschatting van de effecten van de Britse spoorhervormingen. Van Gijzel schreef:

In Engeland zijn de ervaringen buitengewoon negatief. Daar heeft de concurrentie om het spoor onder andere geleid tot extreem lage investeringen, vergroting van de onveiligheid, verschraling van het net, verhoging van de subsidiebijdrage en forse verhoging van de tarieven.

De auteur van Het Spel & De Knikkers concludeerde dat de twaalf punten van Van Gijzel uitsluitend feitelijke onjuistheden bevatten en dat daarmee het standpunt van de PvdA in elk geval onhoudbaar wordt.
In zijn repliek op die kritiek in Het Spel & De Knikkers loopt Van Gijzel zijn beweringen nog eens langs. Wat daarbij opvalt, is dat hij doet alsof zijn tegenstander in dit debat iets moet bewijzen. Dat is een goedkoop trucje. Niet zijn opponent maar Van Gijzel moet iets hard maken: namelijk zijn beweringen over het Britse spoor.

Een vergelijkbare truc hanteerde een politicus die werd aangevallen op het feit dat hij mensen met een AOW-uitkering plus een pensioen een premie over dat pensioen wil laten betalen. Na een omstandig verhaal waarin hij wijst op de noodzaak om de omvang van de AOW-uitkeringen te verlagen, besluit de politicus met de opmerking: wie een betere oplossing heeft, die moet dat laten horen. Graag zelfs.

Een burger die deze truc te vaak had gehoord, gaf de politicus het volgende antwoord. Het is mij liever dat de gekozen volksvertegenwoordiger, dat werk verricht. Ik zal u graag een betere oplossing aan de hand doen, als ik kan beschikken over het ambtenarenapparaat dat u ter beschikking staat en ik de beschikking krijg over een vergelijkbaar budget.

Niet "haalbaar"

Onlangs heeft een vergadering wetenschappers vastgesteld dat de mens bezig is het klimaat op aarde te veranderen . Er zijn aanwijzingen dat de uitstoot van stikstofoxiden op grote hoogte een flinke bijdrage levert aan het broeikaseffect. De voorgenomen uitbreiding van Schiphol draagt bij aan het mondiale broeikaseffect. Hoe groot is die bijdrage? Mondiaal gezien niet zo veel. Heel Nederland draagt in 1995 0,7% bij aan het broeikaseffect in de wereld. Voor een aantal politici is dat gegeven een reden om te zeggen: waar praten we eigenlijk over? De bal ligt niet op onze helft, maar op die van de echte vervuilers zoals de Verenigde Staten, Oost-Europa, Duitsland en Frankrijk. Als wij ons beperken tot stabilisatie van de uitstoot, hebben we al een aardige prestatie geleverd. Laten we toch reëel zijn, we kunnen zelf niet meer doen dan de uitstoot wat verminderen en vooral anderen aansporen om hun aandeel in de uitstoot van broeikasgassen te beperken.
De strekking van dit argument is: het is onzin om ijzer met handen te breken. Je kan beter de lat wat lager leggen zodat je een doelstelling krijgt die wel binnen je bereik is. Die gedachtengang ligt ten grondslag aan een nota van de toenmalige minister De Boer waarin zij meedeelt de CO2-reductiedoelstelling te willen verlaten. Die doelstelling is het gevolg van een afspraak gemaakt in maart 1995. Toen zei minister De Boer in de aanloop naar de Wereldklimaatconferentie van de Verenigde Naties in Berlijn dat de Nederlandse overheid ernaar streeft om jaarlijks 1 á 2% CO2-uitstoot te reduceren. Dat voornemen sneuvelde als niet haalbaar en niet realistisch. Zij verweerde zich later tegen de kritiek op het los laten van dat voornemen door erop te wijzen dat stabilisatie op zichzelf al een ambitieus streven is. Om het terug komen op dat voornemen wat te verzachten belooft ze dat Nederland er zich sterk voor zal maken dat na het jaar 2000 de industrielanden respectievelijk de Europese Unie gezamenlijk zullen streven naar 1 á 2% CO2 reductie per jaar.

De strekking van het voorgaande is dat de eigen economie nauwelijks aan grenzen wordt gebonden. We kunnen doorgaan met onze vervuilende manier van produceren en rijden om flink geld te verdienen. Maar niet alleen in ons land maken mensen en organisaties zich zorgen over het Nederlandse milieubeleid. De klimaatveranderingen die het gevolg kunnen zijn van het opwarmen van de aarde, treffen vooral de Derde Wereld. De verwachte stijging van de zeespiegel, een toenemend aantal stormen en een verlies aan landbouwgronden zijn volgens vele milieuorganisaties uit Zuid-Amerika, Azië en Afrika reden genoeg om zich in de juridische strijd rond de uitbreiding van Schiphol te mengen. Uit cijfers die de milieuorganisaties in 1996 presenteerden, blijkt dat ruim tachtig procent van de vliegtuig­brandstoffen in de wereld wordt verbruikt door de noordelijke landen. Milieudefensie wil Nederland houden aan de afspraken die gemaakt zijn tijdens de grote VN-milieutop in Rio de Janeiro in 1992. Daar werd o.a. afgesproken dat de rijke landen zullen werken aan een evenrediger gebruik van de natuurlijke hulpbronnen. Door uitbreiden van Schiphol en diverse regionale vliegvelden wordt volgens Milieudefensie en buitenlandse milieuorganisaties die afspraak terzijde geschoven.

Opzettelijk misverstaan

Soms laat de hoorder blijken het gesprokene verkeerd te begrijpen. De kwestie in eenvoudige bewoordingen uitleggen is dan een probaat middel. Maar soms nemen opponenten opzettelijk hun toevlucht tot een verkeerde interpretatie. Wanneer u bijvoorbeeld het verwijt wordt gemaakt dat uw voorstellen te weinig praktisch of realistisch zijn, kan dat natuurlijk waar zijn. Het is ook mogelijk dat uw opponent dat verwijt gebruikt als een discussietruc om uw voorstellen in de ogen van anderen als fantasie, luchtfietserij of nog erger als waandenkbeelden te typeren. Het verweer tegen dat soort dooddoeners ligt voor de hand. Wijs op feiten en ontwikkelingen die als voorbodes van uw voorstellen gezien kunnen worden, die uw ideeën al een begin van uitvoering geven. Wie dan nog over 'onpraktische' of 'weinig realistische ideeën' spreekt, laadt al gauw de verdenking op zich niet verder te kunnen kijken dan zijn neus lang is en niet bereid is een raam open te zetten in zijn afgesloten denkwereld. Uw opponent kan na dit verwijt de nooduitgang kiezen van: ja, maar ik interpreteer dat nu eenmaal heel anders, of ik zie dat heel anders. Een bruikbaar antwoord op deze truc is dat u natuurlijk ieder zijn interpretatie gunt, maar die moet om geloofwaardig te blijven wel sporen met de feiten.

Subjectief toch?

Bewoners die zich zorgen maken over de milieubelasting in hun woonomgeving, krijgen van hun opponenten het argument te horen dat overlast maar een betrekkelijk begrip is. Bij hun gevecht tegen geluidsoverlast stuiten geplaagde bewoners steeds weer op die truc. Hun opponenten doen een beroep op het aanvaarden van hun plannen omdat de nadelige effecten erg zullen meevallen. In de regio’s rond de luchthavens Schiphol, Zestienhoven, Lelystad, Eelde, Eindhoven, Twenthe en Maastricht-Aachen worstelen al jaren vele burgers met een oorverdovende buurman. Wanneer bestuurders in hun wijsheid besluiten om in de Hoekse Waard een vliegveld aan te leggen voor alle kleine vliegtuigen, kunnen de bewoners daar zich gaan indekken voor deze en andere kluiten waarmee ze in het riet gestuurd worden. Ook bewoners die langs Rijks- en toegangswegen wonen, weten van lawaaioverlast mee te praten. In hun gevecht om de milieuhinder binnen de perken te houden, verliezen zij tot nu toe slag na slag. Gelukkig weten zij meer en meer de aandacht van anderen, zelfs van de overheidsinstellingen tegen wie zij in het geweer komen, te vestigen op dat milieuprobleem. Hun opponenten trachten de geluidsoverlast te bagatelliseren met spreuken als: Ach, je went er aan, Die overlast zit alleen tussen de oren. De dooddoener die ook vaak opduikt, is het verhaal van iemand die vlak langs zo’n drukke weg woont, maar er totaal geen last van heeft. De toenmalige Minister Verkeer en Waterstaat, mevrouw Jorritsma wist tijdens een Tv-interview van een tante die onder of bij een brug woonde en zich zonder het verkeerslawaai niet op haar gemak voelde.
Wanneer u te maken heeft met een opponent die voor rede vatbaar is, kan een korte uiteenzetting over de gezondheidsrisico’s van lawaai meer begrip voor uw standpunt kweken.

Bagatelliseren

Een bekend dwaallicht is de veronderstelling dat binnen een democratisch bestel elke partij altijd water bij de wijn moet doen. In het geval van een composteerinrichting op 100 meter van woonhuizen stond het gemeentebestuur op het standpunt dat met wat aanpassingen en onder wat extra voorwaarden er best een open composteerinrichting op het geplande terrein neergezet kon worden. Voor de verontruste burgers werd dat standpunt in de volgende formule verpakt: laten we niet gaan overdrijven, zuivere lucht is er nergens meer. Enige flexibiliteit is nodig. Maar een overheid die dit soort afwegingen maakt, weegt in feite gezondheidsrisico's af tegen economisch en politiek voordeel. Als de bewoners genoegen willen nemen met wat meer risico voor hun gezondheid, dan kunnen de beoogde politieke en economische voordelen geïncasseerd worden. Maar de overheid heeft als elementaire taak de zorg voor de gezondheid van de bevolking. Zij kan risico's voor die gezondheid niet onnodig en bewust vergroten voor politieke en economische voordelen.

In de discussie met de protesterende bewoners liet de betreffende wethouder niet na om de zaak te bagatelliseren. Zij deed dit met uitspraken als Die kaart spelen de milieuverontrusten altijd uit. In feite wordt de burgers verweten dat zij geen argumenten hebben en altijd dezelfde loze uitspraken hanteren. Een gedegen kennis van zaken aan de kant van de burgers is noodzakelijk. Dan kan het verwijt als een boemerang worden teruggestuurd. Wie gebruikt er holle frasen in het licht van deze feitelijke gegevens? Wie probeert de kwestie te bagatelliseren?

Tijdelijk probleempje . . .

Een bekende manier van politici om voorstellen van burgers af te weren is de formule: dit probleem is slechts tijdelijk en wordt later in een allesomvattend plan opgelost. Typerend voor die truc is het schermen met grote getallen, grote beslissingen en grote belangen, met gemiddelden, met een geprojecteerde werkelijkheid over dertig jaar, met de mondiale wedloop. De aanleg van de Betuwelijn bijvoorbeeld 'betekent' in het jaar 2008 het behoud van maar liefst 80 duizend banen, de mainport Rotterdam 'moet' over tien jaar minstens 8,5 miljoen containers meer doorvoeren, Schiphol 'moet' tenminste 20 duizend vluchten meer kunnen afhandelen, 'we' hebben nu voor 400 miljoen orders uit China binnengehaald, het onderwijs 'moet' voor anderhalf miljoen bezuinigen en ga zo maar door.

Ook andere afweerformules die de burger moeten overhalen om de eigen wensen in te ruilen voor de plannen van de overheid komen u waarschijnlijk bekend voor: we kunnen van de stad geen museum maken, of er is geen geld of dit is lokaal niet op te lossen, hier is een landelijke aanpak vereist tot voor deze situatie geldt geen norm met de strekking gaat u maar rustig slapen.

Burgers die de overheid wijzen op haar taak de gezondheid van burgers niet nodeloos in gevaar te brengen, stellen geen prijs op antwoorden vol bureaucratenproza. Ze zijn niet geholpen met de afweerformule: Er is niets aan de hand want de bestaande normen worden niet overschreden als met die normen gedoeld wordt op waarden waarvan bekend is dat die allerminst veilig zijn. Met zo'n beroep op de burger wekt de overheid al snel de indruk dat de politiek de zorg voor het leefmilieu in de stad alleen in verkiezingsprogramma’s en vergaderingen belijdt.

De bewonersverenigingen Buizengat, Bewoners Vereniging Kralingen, Platform Leefmilieu Maasboulevard hebben op ma. 8/1/01 een reeks van deze afschuif-, doorschuif- en wegschuifformules over zich heen gekregen. De bewonersgroepen hadden een bijeenkomst belegd met afgevaardigden van politie, gemeentewerf, WBR, deelgemeente. Doel van de bijeenkomst was de verschillende instanties ertoe bewegen meer en ingrijpender maatregelen te nemen om de toenemende vervuiling, verpaupering en criminaliteit in de wijk terug te dringen. Als voorbereiding voor de bijeenkomst had een opbouwwerker een fotoreportage gemaakt. Die bevatte plaatjes van verzakte stoepen, gebroken regengoten, gaten in de bestrating, zwerfvuil, plaatsen met onkruid van tenminste een halve meter hoog. De reportage diende om bij voorbaat uitspraken te weerleggen als: Ja, ik denk dat u overdrijft, Wat u slecht onderhoud vindt, kan er eigenlijk nog best mee door, Wij zijn er pas nog langs gereden, maar alles stond er nog redelijk bij, Het kan natuurlijk altijd nog wel wat schoner, netter en preciezer, maar je moet niet overdrijven. Tijdens de vergadering bleek het gros van de reacties van de overheid op de verzoeken van de bewoners onder te brengen in de categorieën: Daar gaan we niet over, We doen ons best, We hebben onze eigen prioriteiten, Er is geen budget voor, We gaan kijken of het wel kan, We zullen het intern bespreken, We nemen het mee en zullen zien wat we kunnen doen, U hoort nog van ons, We verwachten dat het volgend jaar in de planning wordt opgenomen. De vertegenwoordigers van de diverse bestuursorganen bleken ook te weinig beslissingsbevoegdheid te hebben om meer te doen dan het uitspreken van de genoemde formules. De bijeenkomst leerde dat de verantwoordelijke politici herhaaldelijk moesten bekennen van niets te weten, omdat zij hun zeggenschap aan ambtenaren hadden gedelegeerd. De aanwezige bewoners kregen de indruk van onzorgvuldig werkende, overmatig gedogende instanties. Omdat die ook nog functioneren binnen een bestuursstructuur waarbinnen die instanties hooguit gedeeltelijk verantwoordelijk zijn, is het gevolg dat geen van die instanties zich voor het geheel aansprakelijk voelt. Dat is een houding die allerminst gepast is, omdat de gezondheid en veiligheid van burgers in het geding is.

U wilt toch ook…

Overheidsdienaren proberen vaak op handige manieren iedereen zo vroeg mogelijk voor hun plannen te winnen. De truc zit in het suggereren van een overeenstemming die feitelijk ontbreekt. Wanneer over één punt overeenstemming is gevonden, wordt die uitgebreid tot het hele plan. Maar wanneer u het met één onderdeel eens bent, houdt dat nog niet in dat u het ook eens bent met alle onderdelen van een plan.
Een aantal formuleringen kunnen de inleiding vormen tot deze truc. Die gaat vaak vergezeld van een retorische vraag waarop u een stilzwijgend 'ja' als antwoord moet geven.

Laat u niet inpakken, het is mogelijk dat bij het voorstel alleen de ander er beter van wordt. Wijs daar dan nadrukkelijk op en benadruk de verschillen, bijvoorbeeld met een zin als:

‘Democratisch vastgesteld'

Een veel gebruikte tactiek van overheidsdienaren om kritiek op een plan opzij te zetten is het schermen met de formule dat plan berust op een democratisch genomen besluit. Wim Kan vertelde eens dat hij in een woordenboek de betekenis van het woord 'democratie' had opgezocht. Democratie, ontdekte Kan, betekent dat wat het volk wil, gebeurt. Sindsdien las hij elke ochtend met verbazing in de krant wat hij nu weer wilde. Wim Kan is inmiddels al lang overleden, maar de grap is nog steeds actueel.

discuss_afgevaardigde.jpg

Hardwerkende afgevaardigden in het Europees parlement

Op 7 oktober 1996 verscheen in De Volkskrant onder de kop ‘Minachting’ een ingezonden stukje waarin weer eens deze formule werd gehanteerd. Op 27 oktober 1996 wil de vereniging Milieudefensie (VMD) het vliegveld Schiphol twee uur lang gaan blokkeren door een zilverpapier-actie. Die actie moet het radarsysteem ontregelen. Het doel is: protest tegen de uitbreiding van Schiphol. Het Tweede Kamerlid Jan te Veldhuis van de VVD spuit in het ingezonden stukje zijn fiolen van toorn uit over dat plan van de VMD. Hij verwijt de VMD dat zij de grenzen van het betamelijke overschrijdt en een democratisch genomen besluit over Schiphol aan haar laars lapt. Een dergelijke vorm van eigenrichting getuigt van minachting voor de democratie. Want, zo redeneert hij, over Schiphol is meer dan tien jaar gediscussieerd. De milieubeweging heeft daar volop aan meegedaan. Als de volksvertegenwoordiging dan na zoveel jaren van zorgvuldige afweging uiteindelijk een besluit neemt, dan mag ook van de milieubeweging worden verwacht dat zij dat besluit respecteert. Maar is er wel sprake geweest van een ‘zorgvuldige afweging’ en is het besluit wel zo democratisch genomen? Tijdens de voorbereiding van het besluit over de uitbreiding van Schiphol, heeft de VMD er herhaaldelijk op gewezen dat bij de berekeningen van de te verwachten geluidshinder, luchtvervuiling en de economische voor- en nadelen, onjuiste, eenzijdige of erg optimistische cijfers en verwachtingen werden gepresenteerd. Maar de Tweede Kamer heeft ondanks die scheve voorstelling van zaken het besluit tot uitbreiding goedgekeurd. Een ‘democratisch genomen besluit’ betekent niet dat zo'n besluit ‘zorgvuldig afgewogen’ en vrij van manipulatie tot stand is gekomen. De parlementaire geschiedenis leert dat die ‘zorgvuldige afweging’ nogal eens wordt doorkruist door bijvoorbeeld fractiediscipline, lobbywerk van belanghebbenden, de waan van de dag, manipulatie met cijfers. Wanneer een overheid alle gefundeerde verbale protesten naast zich neer legt, is een groep verontruste burgers haast gedwongen om diezelfde overheid door andere acties tot een zorgvuldige afweging te brengen, juist om ertoe bij te dragen dat besluiten het etiket 'zorgvuldig afgewogen' verdienen.

"Mijn achterban"

Burgers doen soms een dringend beroep op politici om nu eens de maatregelen te nemen die zíj willen. Wanneer een politicus aan een dergelijk appèl niet wenst te voldoen, kan hij een soort vluchtgedrag vertonen. Als laatste tegenargument voert hij bijvoorbeeld aan dat zijn 'achterban dat niet wil'. Wie politici oproept om nu eens een eind te maken aan de mestoverschotten, kan te horen krijgen: 'ho, denk eens aan mijn achterban'. Soms helpt het de betrokken politicus te vragen wie tot die achterban behoren. Zijn dat voor het CDA de boeren, voor de PvdA de arbeiders, voor D'66 de yuppies? De achterban is diffuser dan zij willen doen geloven. Zelfs een verstokte VVD-er stemt tegenwoordig wel PvdA. En al zou de achterban van de CDA-er veel boeren omvatten. Er zijn bijvoorbeeld in de Krimpenerwaard zo'n 400 boeren op een bevolking van veertigduizend mensen. Bovendien, moet die achterban, welke dat ook mag zijn, alleen om het mogelijke economische gewin altijd gelijk krijgen? Of bestaat die achterban soms uit zijn fractiegenoten aangevoerd door de fractieleider? Is er in de fractie afgesproken dat de hele fractie een en dezelfde lijn zal kiezen en daarvoor de wensen van burgers terzijde zal schuiven?

Een andere ontsnappingsformule is het argument dat er voor een bepaalde maatregel geen draagvlak zou bestaan: onze fractie doet dat niet, want dan zijn we politiek weg. Laat u niet intimideren door dit beroep op overmacht. Verzamel gegevens en stel vragen. Wie vormen dat draagvlak? De overtreders, de mensen die profiteren van niet-ingrijpen? Of de burgers?

Houd contact met uw achterban

• Herhaling van standpunten is niet erg
Veel leden van een actiegroep denken dat het voldoende is om hun standpunt eenmaal te verkondigen. Andere leden hebben echt niet de nieuwsbrieven van de afgelopen maanden in hun hoofd. U moet uw standpunt voortdurend herhalen.

• Geen nieuws is ook nieuws
Juist in hectische tijden laat een actiegroep vaak lange radiostiltes vallen. Er is dan, sinds de vorige keer, niets nieuws te vertellen. Of er speelt wel van alles, maar dat is nog niet zeker. Voor andere eigenaars is het echter onacceptabel als er wel allerlei geruchten de ronde doen, de actiegroep bijna dagelijks vergadert, maar er niets naar buiten komt.

• Bedenk goed wie uw doelgroep is
Lang niet altijd hoeft alles met iedereen te worden gecommuniceerd. Een afzondelijk gesprek met direct betrokkenen is vaak veel effectiever.

• Bedenk goed wat u precies van de doelgroep vraagt
Wilt u hen informeren, advies van hen hebben, of wilt u dat zij in actie komen? Dat maakt erg veel uit voor het middel dat gekozen wordt.

• Laat vooraf weten wat u met de mening van de achterban doet
Het kan erg vervelend worden als van de 82 stemgerechtigden er 30 op een actiebijeenkomst komen, en daarvan 15 een bepaald standpunt van de actiegroep eisen. Zeker als die 15 daar een persoonlijk belang bij hebben.

Valse beeldspraak

Tot de manieren om uw gehoor te overtuigen behoort het gebruik van beeldspraak en aansprekende vergelijkingen. Maar vergelijkingen worden ook gebruikt om toehoorders op het verkeerde been te zetten.
Op 27 juni verschijnt in het Tv-programma Nova Marcel van Dam in beeld. Aan de orde is het mislukken van de formatie van een zogenoemd 'paars' kabinet van PvdA, D'66 en VVD. Van Dam geeft de zwarte Piet aan de VVD. Hij gebruikt daarvoor als argument de volgende vergelijking. Stel dat er in een bedrijf in de komende vier jaar waarschijnlijk zo'n vijftienhonderd mensen ontslagen moeten worden om het bedrijf weer rendabel te maken. De gehele bedrijfsleiding is het eens over het ontslaan van duizend mensen. Een deel van het management zegt dat als beleidsvoornemen niet voldoende te vinden. Als het later nodig blijkt ook de overige vijfhonderd mensen te ontslaan is het beter de namen van die vijfhonderd mensen nu al te noemen. Die werkwijze vindt Van Dam niet correct. Zijn argument is: het kan best zijn dat die vijfhonderd mensen helemaal niet ontslagen behoeven te worden. De omstandigheden veranderen snel. Waarom nu al maatregelen aankondigen, d.w.z. mensen ongerust maken als dat nog niet echt nodig is? Regeren is wel vooruit zien, maar de economische situatie van een land kan zo snel veranderen dat die over enkele maanden al weer totaal anders kan zijn.

Van Dam gebruikte die vergelijking om de rol van de VVD in haar opstelling ten opzichte van het 'paarse' kabinet te schetsen. De VVD vervult in het voorbeeld de rol van de leden van het management die het ontslag van alle 1500 medewerkers al wil aankondigen. Maar de vergelijking met het bedrijfsleven gaat niet op. De VVD wilde meer bezuinigingen invullen dan de PvdA. De VVD vreest, op grond van haar ervaring met de PvdA, dat eventueel volgende maatregelen niet genomen zullen worden. De reden daarvoor is dan niet het bedrijfsbelang maar de weerstand bij de achterban van de PvdA of het verwijt van lopen aan de leiband van de VVD. Die politieke afweging is voor een directie van een bedrijf een minder sterk argument.

Knuffelen

Sommige sprekers proberen bij voorbaat hun opponent voor zich te winnen door haar of hem te 'knuffelen'. Ze prijzen hun opponent voortdurend, zodat deze zijn oppositie voor een belangrijk deel laat varen. Deze truc ligt ook ten grondslag aan antwoorden als: Ik ben blij dat u die vraag stelt, of: Het is goed dat u dat zegt. Zo'n antwoord heeft het voordeel dat daarmee de scherpte van de aanval wordt verzacht, of van zijn persoonlijk karakter ontdaan.
Een andere bekende manier van knuffelen vindt u in verkiezingstoespraken. Die staan bol van sympathiek klinkende uitspraken. De politicus zal zich inzetten voor het individu en voor de gemeenschap, voor de markt en voor de overheid, voor meer concurrentiekracht van het bedrijfsleven en voor een schoner milieu. Jammer genoeg vormen die tegenstrijdige uitspraken nauwelijks een basis voor een samenhangend beleid. Andere populistische uitspraken om bij de kiezer in de gunst te komen zijn: we (= de partij of de politici) gaan het land in, we speuren naar wensen en ideeën, we willen dicht bij de mensen in het land staan. Sommige politici munten uit in het uiten van warm klinkende maar nietszeggende teksten. Een voorbeeld hoorde ik een keer uit de mond van een fractieleider: onze visie op de werkelijkheid baseert zich op een mentaliteit, een levenshouding die geen zekerheid heeft buiten zichzelf - waarvoor je kiest en waarvoor je staat, als een vertegenwoordiger niet van een hoger beginsel, maar van het onzekere in alle menselijke ondernemingen en verhoudingen.

Strijkijzertactiek

Een andere veel gebruikte manier om uw tegenstand te breken is de strijkijzertactiek. Die herkent u aan uitspraken als: U begrijpt toch ook wel dat daar geen financiële ruimte voor is? Zo'n uitspraak betekent meestal dat de betrokken instanties de kwestie niet belangrijk genoeg vinden om daar geld voor vrij te maken. Geen argument is te bont om de protesterende burger in het gareel te duwen: Ja, alles goed en wel, maar de subsidie van het rijk gaat verloren wanneer niet spoedig een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden. U bent als enige tegen het plan dat door velen wordt toegejuicht. Waarom blijft u dwars liggen, terwijl toch duidelijk is dat een andere oplossing niet haalbaar is? Een andere bekende tactiek om een toehoorder in het gareel te krijgen is het gebruik van overvloedige social-talk over "in beweging blijven", "interessante ontwikkelingen" en "verbeter-culturen".

Praten met de kalkoen over het kerstdiner

Een beroep op een politicus kan al bij voorbaat tot mislukken zijn gedoemd. Wanneer deze er veel belang bij heeft om een situatie niet te veranderen, zal hij liever niet instemmen met uw argumenten. Wanneer bijvoorbeeld het Ministerie van Volkshuisvesting overweegt om de welstandscommissies in de steden op te heffen, is overleg daarover met die commissies zoiets als praten met de kalkoen over het aanstaande kerstdiner. Het is daarom goed te weten wat de achtergrond, de motieven, de belangen van uw opponent zijn. Uw argumenten zullen meer weerklank vinden, als uw tegenstrever begrijpt dat zijn belangen niet geschaad worden.

Versleten argumenten

Wees voorzichtig met argumenten die al zo vaak gebruikt zijn dat ze nauwelijks meer een appellerend effect hebben. Wanneer een milieugroep tijdens een hoorzitting over de aanleg van een tweede Coentunnel haar bezwaren formuleert, komen die neer op: het natuurgebied dat voor de aanleg van de tunnel moet verdwijnen, is uniek. Voorstanders van de tunnel verwachten dat argument, want het is al herhaaldelijk door milieugroepen gehanteerd. Door de slijtage die deze voorspelbare argumentatie heeft ondergaan, is het appellerend vermogen niet sterk meer. Wanneer voorstanders van de tunnel vervolgens de milieugroep uitnodigen eens een alternatief voor het probleem van de verkeersfiles te noemen, wordt mogelijk een val open gezet. Wanneer de milieugroep de oplossing zoekt in "verbetering van het openbaar vervoer", "het vrachtverkeer moet rijden in de uren buiten de spits" en "carpoolen brengt het aantal personenauto's drastisch terug", kan de andere partij z'n oogst gaan binnenhalen. Op basis van feiten kunnen deze (ook voorspelbare en wat versleten) voorstellen worden ondergraven en van hun overtuigingskracht ontdaan. Wanneer de milieugroep vervolgens de bezwaren tegen hun alternatieve voorstellen niet weerlegt en in een later stadium van de discussie weer dezelfde bezwaren en oplossingen aanvoert, lokken die bij de tegenstander vaak een schampere reactie uit.

Om die valstrik te ontlopen reageren sprekers op de uitnodiging van opponenten om dan eens met bruikbare voorstellen te komen met: Daar zit ik niet voor, dat is mijn taak niet. Met die houding wekt u echter al gauw de indruk: als ik mijn zin maar krijg, ben ik dik tevreden. Dat ik anderen voor de gevolgen van mijn voorstel laat opdraaien zal mij een zorg zijn. Goed doordachte tegenvoorstellen vormen hier de beste verdedigingslinie. Heeft u die niet onmiddellijk bij de hand, dan doet u een beroep op enig geduld omdat aan die plannen en voorstellen nog gewerkt wordt. Wanneer u de nodige tijd krijgt, wilt u die plannen heel graag uiteen zetten.

Intimidatie

Wanneer een spreker niet al te veel van het onderwerp in kwestie weet, of het niet zo nauw neemt met de fatsoensnormen van de discussie, past hij misschien trucs toe om koste wat het kost zijn gelijk te halen. Tot die trucs behoren bijvoorbeeld: uw denkbeelden eenzijdig weergeven, uw woorden uit hun verband rukken, een karikatuur schetsen van uw voorstel, u kleinerend toespreken (bijvoorbeeld door plotseling gebruik van de voornaam), over onbelangrijke persoonlijke drijfveren speculeren, met scheldwoorden en venijnige kwalificaties strooien. Soms is het voor derden leuk als de tegenstander wordt getypeerd als ‘niets dan kip en geen kop’ of ‘gedreven door banale afgunst’. Maar wie het gebruik van dergelijke trucs door heeft, zal zich minder gauw laten overtuigen van het gelijk van deze spreker.
intimiderenEen andere manier van intimideren is het beroep op wettelijke voorschriften. Wanneer bewoners bezwaar maken tegen bijvoorbeeld de bouw van een LPG-station, dan beroept de politicus zich op de wet om zijn zin door te drijven. Hij vertelt dan: Volgens de Integrale Nota LPG is het oprichten van een nieuw LPG-station langs doorgaande routes gevaarlijke stoffen toegestaan. Zijn: handen zijn dus gebonden, hij: kan niet anders dan toestemming geven. Maar in zijn beroep op de wettelijke tekst heeft hij de woorden 'in principe' weggelaten. Die woorden geven de bestuurder wel degelijk de mogelijkheid om van die regel af te wijken.

Leden van een vereniging die braaf gehoorzamen en nooit een kritisch woord laten horen, zijn gemakkelijker te intinideren. Voor een bestuur dat zijn gehoor graag in die houding brengt, is het cruciaal dat de leden niet over alle informatie beschikken. Het groepsgedrag tijdens een vergadering helpt zo'n bestuurder. Veel deelnemers nemen voetstoots aan dat een groep lemmingen toch geen ongelijk kan hebben, wanneer die zich zonder zwemdiploma van de rotsen in zee stort.

Kinderhand

Politici munten uit in het gebruik van sussende, van zelfkritisch vermogen gespeende teksten. Zij gebruiken die teksten om zich kritiek van burgers van het lijf te houden. Wanneer burgers daar geen genoegen mee nemen, kiezen ze een andere vluchtroute. Wanneer bijvoorbeeld duidelijk is dat:
- de berekende milieu-overlast een gezondheidsrisico voor een flinke groep bewoners inhoudt,
- een aantal van de gehanteerde normen niet meer zijn dan waarschuwingsborden die pas oplichten wanneer men zich al in de gevarenzone bevindt,
dan reageren politici dikwijls op voorspelbare wijze. Als de overlast maar groot genoeg wordt, stellen zij enkele maatregelen voor om de ergste bijwerkingen te verzachten. Maar maatregelen als handhaven van de maximumsnelheid van 50 km, de verkeerslichten schakelen als een ‘groengolf’, planten van een rij coniferen, en het wegdek voorzien van asfalt dat minder lawaai veroorzaakt, zijn meestal niet doeltreffend. Deze ingrepen brengen bijvoorbeeld de milieubelasting op en langs de Strevelsweg in Rotterdam hoogstens terug tot bij de berekende emissiewaarden. Het is of je met een blindedarmontsteking naar het ziekenhuis gaat en de dokter daar belooft je een aspirientje te geven als het ziekenhuis daar tenminste geld voor wil vrij maken. De pijn vermindert wat, maar de kwaal wordt niet verholpen.

Inspraak als ritueel

Burgers die geconfronteerd worden met een overheidsbesluit hebben vooraf inspraak. Die inspraak blijkt in de praktijk nogal eens een rituele dans. Die dans heeft een aantal kenmerken: de politiek heeft eigenlijk al besloten; burgers worden te laat betrokken; hun inbreng wordt genegeerd; de gemeente wil geen gesprek met haar burgers en verstrekt onduidelijke of onvolledige informatie.

Bewoners in de deelgemeente Kralingen-Crooswijk te Rotterdam hebben daarvan enige staaltjes meegemaakt. In juni 1998 maken die bewoners door een rapport Leefmilieu op en rond de Maasboulevard de (deel)gemeente opmerkzaam op de te hoge milieubelasting langs de Maasboulevard. In een aankondiging gedateerd 23 december 1998 ontvangen de betrokken bewoners een uitnodiging voor een informatiebijeenkomst voor het Inrichtingsplan van de Maasboulevard. Navraag van bewoners bij de deelgemeente in de laatste dagen van 1998 en de eerste dagen van 1999 leert dat die plannen nog niet officieel ter inzage liggen. Tijdens die informatiebijeenkomst op 6 januari 1999 presenteert de deelgemeente een plan om de noordelijke rijbaan van de Maasboulevard een meter of vijf naar de woningen op te schuiven. Het is haast overbodig te zeggen dat de bewoners daar afwijzend op reageerden. Pas op die zesde januari wordt de aanwezigen een bulletin uitgereikt, gedateerd januari 1999, waarin de verdere procedure voor de besluitvorming wordt vermeld. De betreffende portefeuillehoudster deelt dan ook mee dat het Dagelijks Bestuur van de deelraad Kralingen-Crooswijk het plan al heeft goedgekeurd en dat er geen inspraakavond zal volgen. Enkele omwonenden spreken daar hun verwondering over uit, omdat de tekeningen niet eerder ter inzage hebben gelegen en de informatiebijeenkomst niet als inspraakprocedure is aangekondigd. Maar de portefeuillehoudster volstaat met de opmerking dat die procedure al jaren gevolgd wordt. Op die zesde januari krijgen de burgers ook te horen dat bij het werken aan de zuidelijke rijbaan al rekening is gehouden met de reconstructie van de noordelijke rijbaan. Zonder de bewoners daarover in te lichten is die zuidelijke rijbaan in 1998 voorzien van een fietspad voor 2-richtingverkeer. Het fietspad aan de noordzijde moet verdwijnen om ruimte te maken voor de rijbanen die dichter langs de huizen moeten komen. Tijdens de presentatie van het inrichtingsplan wordt de spanning even opgevoerd door de mededeling dat vele wensen van de burgers vervuld zullen worden. Zou dan toch het verleggen van de Maasboulevard dichter langs de huizen gepaard gaan met een verbetering van het leefmilieu? Het verrassingspakket blijkt te bestaan uit bloembollen die in de middenberm worden gepoot en hoge masten met vlaggen langs de weg. Een bijna homerisch gelach vrolijkt de avond even op. Verwachten verantwoordelijke politici echt dat de burger applaudisseert, wanneer hem knollen voor citroenen worden opgedist?
De agenda voor de bijeenkomst ruimt als sluitpost een half uur in voor vragen en reacties van belangstellenden. Maar de bewoners laten zich niet op die manier de mond snoeren. Op vragen van de bewoners of de geluidbelasting en luchtvervuiling niet zullen toenemen, is het antwoord dat berekeningen uitwijzen dat de milieubelasting binnen de normen zal blijven. Op aandringen van het bewonersplatform Leefmilieu Maasboulevard belooft de gemeente de geluidbelasting op de Maasboulevard nog eens na te rekenen. Het Platform voert aan dat die toezegging thuis hoort in het rijtje loze beloften, wanneer dat narekenen gebeurt door dezelfde dienst die rekenmodellen hanteert waaraan veel tekorten kleven. De uitkomst en conclusie staan dan al vast: niets aan de hand, probeert u maar rustig te slapen. Een verzoek om een berekening van de te verwachten luchtvervuiling wordt terzijde geschoven: Dat is een landelijk probleem, daar kan ik niets aan doen.

Wanneer de overheid aan bezwaren van vasthoudende burgers niet tegemoet wil komen, beweert de overheid nogal eens dat de wettelijke inspraak- en beroepsprocedures een krachtdadig bestuur belemmeren. Misbruik van het recht noemt ex-staatssecretaris Marcel van Dam die bewering. Inspraak- en bezwaarprocedures vinden sommige overheden nuttig om de burger wat stoom te laten afblazen, maar ze moeten niet te lang duren en de uitkomst moet bij voorbaat vast staan. Die regenteske houding tegenover inspraak- en beroepsprocedures vinden we ook bij gemeentelijke diensten. Maar trage besluitvorming is vooral te wijten aan de overheid zelf. Inspraak, bezwaar en beroep zijn vrij precies in de wet geregeld. Daarbij worden belanghebbenden steeds aan strikte, meestal tamelijk korte, termijnen gebonden voor het inspreken of aantekenen van bezwaar en beroep. Politici en het formeel bevoegde gezag zijn bij de besluitvorming niet aan termijnen gebonden. Deze partijen nemen steeds alle tijd voor het voorbereiden van hun beslissingen. Daarbij worden zij gesteund door een leger deskundigen, juristen, tekstschrijvers en advocaten, waarvan omwonenden en milieuorganisaties alleen maar kunnen dromen.

Schijndemocratie

discuss_1001.png

De manier waarop de overheid overleg met bewoners voert, verdient vaak geen schoonheidsprijs. De handelwijze van de overheid ruikt naar schijndemocratie als een bijna onomkeerbaar gemaakt besluit nog even ter discussie wordt gesteld. Die manier van 'communiceren' van de overheid wekt bijna onvermijdelijk de indruk dat zij de bewoners niet serieus neemt. Vergelijkbare manieren van dit soort 'krommunicatie' zullen veel burgers bekend voorkomen. Politici en bestuurders laten burgers zolang mogelijk in onwetendheid. Vragen van burgers aan de overheid in brieven, rapporten en tijdens inspraakavonden worden te laat of in het geheel niet beantwoord. De weinige antwoorden die zij ontvangen staan vol bureaucratenproza en met de gebruikelijke afweerformules die variëren van: er is niets aan de hand want de bestaande normen worden niet overschreden en: we kunnen van de stad geen museum maken, tot: er is geen geld.

Als u een eenvoudige burger bent en b.v. iets wilt weten over gemeentelijke uitbreidings- of verkeersplannen, tracht de gemeente u de mond te snoeren. Officieël kan dat natuurlijk niet, want u dient het gevoel te hebben in een democratie te leven, maar lees hoe de provincie Gelderland met een nieuw voorstel e.e.a. tracht op te lossen :

`Dit nieuwe voorstel is ontstaan omdat geconstateerd werd dat er in toenemende mate grote aantallen verzoeken van bepaalde burgers bij bestuursorganen van de provincie binnenkomen (Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin en soms bij alle drie tegelijk). Eerdere gesprekken in mediationverband met deze burgers hebben niet geleid tot een werkbare oplossing (in de ogen van de onrendabelen – noot redactie).. Het voornemen van Gedeputeerde Staten is om de afdoening van verzoeken van veelschrijvers, voorzover deze geen politieke relevantie ( wie bepaalt dat ?- noot redactie ) hebben, op één plek in de organisatie te beleggen waardoor verzoeken van veelschrijvers sneller en efficiënter kunnen worden afgedaan`.

Dat laatste is de bekende drogreden, want de bovengenoemde instanties zijn helemaal niet van plan om `sneller en efficiënter`te werken, integendeel er moet een systeem worden bedacht om de zgn. “veelschrijvers “ te ontmoedigen.

Die respectloze houding tegenover burgers is ook de landelijke overheid niet vreemd. Een opmerking uit een uitgelekte nota Recht doen aan inspraak van H. Boom, projectleider Betuwelijn bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, maakt duidelijk op welke manier overheden bij voorkeur met ingediende bezwaren omgaan. Omdat de wet het voorschrijft, worden bezwaren verzameld, verslagen van hoorzittingen gemaakt, alles wordt keurig gerubriceerd en gebundeld, en vervolgens wordt er niet meer naar om gekeken.

Jean-Claude Juncker, premier van Luxemburg en EU-vergadertijger, legde als volgt uit hoe de Europese ‘democratie’ werkt: “Wij besluiten iets, lanceren het en wachten een tijdje af, of er iets gebeurt. Als er dan geen geschreeuw of opstanden uitbreken, omdat de meesten totaal niet begrijpen wat er besloten werd, dan gaan we door – stap voor stap, tot er geen weg terug meer is.”

Onduidelijk spreken

Een veel voorkomende manier van onduidelijk spreken wordt veroorzaakt door het gebruik van vakjargon. Wat valt daaraan te doen? Toehoorders laten zich vaak te weinig horen. Misschien vrezen zij dat anderen hen voor dom houden. Maar zo blijft een verbetering van het zakelijke aspect van de boodschap achterwege. De hoorder moet 'lik-op-stuk' te geven. Dat proces begint wanneer de hoorder duidelijk maakt dat hij er geen jota van begrijpt, bijvoorbeeld: Op die manier begrijp ik het niet! Maar let op! Sprekers kunnen zo’n opmerking weer gebruiken om hun vermeende superioriteit te etaleren. Ze gebruiken dan bijvoorbeeld overdreven eenvoudige woorden, lange uitweidingen en vele, vaak overdreven eenvoudige voorbeelden en vragen herhaaldelijk of alles nu duidelijk is. Ze laten daarmee graag blijken hoe ver ze in kennisniveau boven de 'eenvoudige' hoorder staan. Wilt u een wat assertiever manier om een spreker ertoe te brengen het zakelijke aspect van zijn boodschap voorrang te geven, probeer dan een opmerking als: Wilt u minder vakjargon gebruiken, u staat hier niet voor vakgenoten te spreken, of wanneer het gaat om een politicus: U staat hier niet tegenover mensen die uw politieke jargon op prijs stellen. De bedoeling van deze woorden is de spreker erop te wijzen dat hij bezig is de eerste wet van het spreken te overtreden: zorg dat je hoorders je begrijpen.

Hullen in abstracties

Vele politici die voor de Tv ondervraagd worden, maken graag gebruik van bekende woorden en begrippen zonder er iets reëels of betekenisvols mee aan te duiden. Daarmee dringen zij de burger een fictieve wereld op die niemand werkelijk heeft gezien of aan den lijve heeft ervaren. De moderne media scheppen een ander, even fictief beeld van de werkelijkheid. Alles lijkt echt, maar is het niet. Alles lijkt waar gebeurd, maar wordt in feite in scène gezet. De fictieve wereld van de politiek en de schijnwereld van de media blijken elkaar erg goed te liggen en elkaar op te hitsen, zelfs als ze met elkaar ruzie maken. Ook op lokaal niveau worden burgers met dat soort decorbeelden overspoeld. U herkent ze vast wel:

Het is een taalgebruik dat door journalisten met de term 'dunspraak' wordt getypeerd.

Demoniseren

Het duivelsargument, "demoniseren" genoemd, probeert uw een mening te bestrijden door u kwade bedoelingen toe te dichten. Velen kunnen zich de voorbeelden Wouter Buikhuisen, Hans Janmaat, Pim Fortuyn en Geert Wilders herinneren.

Het zijn kleine heren die anderen kleineren

Hoe werkt het? Wanneer een spreker bij zijn gehoor de indruk kan wekken dat zijn opponent eigenlijk niet serieus te nemen is, wordt diens boodschap minder geloofwaardig. In het volgende voorbeeld probeert een wethouder een raadslid te provoceren tot emotioneel gedrag. Op een vraag van die toehoorder roept de verantwoordelijke wethouder: Iedereen tettert maar wat over zorg voor gehandicapten of: Het raadslid moet zijn historisch bewustzijn eens opfrissen. Wanneer de toehoorder niet reageert, wekken de woorden van de wethouder de suggestie dat de vraagsteller tot de categorie 'tetteraars' of slecht geïnformeerden behoort. Reageert hij fel en emotioneel dan krijgt het overige gehoor de indruk dat de aangesprokene zich snel laat meeslepen door emoties. Dat maakt de overtuigingskracht van zijn betoog niet sterker. De winst is voor de wethouder. Die heeft de indruk gewekt dat de vraagsteller en daarmee zijn argumenten niet ernstig genomen moeten worden.

Op de man spelen is soms ook bedoeld om de vragensteller in een minder respectabel daglicht te stellen. De spreker hoopt met die truc een vragensteller met een kluit in het riet te sturen.

Op 21 september 1995 tijdens de algemene beschouwingen over de begroting stelt het kamerlid van de Centrum Democraten Janmaat aan de minister-president Wim Kok enkele vragen. De aangesprokene beantwoordt die vragen naar de zin van de afgevaardigde niet goed en verwijt de premier dat hij zich alleen maar herhaalt en geen antwoord geeft op de gestelde vragen. De premier ziet een kans om de vragensteller van zich af te schudden en zegt: Wanneer het gaat om het zichzelf herhalen, kan ik de heer Janmaat nauwelijks verbeteren. Dat antwoord betekent het einde van de interruptie, want Janmaat komt niet meer naar de interruptie%shymicrofoon om op die kluit in het riet te reageren.

Een andere poging om de opponent te beschadigen, was te horen tijdens een lijsttrekkersdebat op zondag 5 april op radio 1. Jaap de Hoop Scheffer verweet daarin Wim Kok dat deze aan het eind van de vierjarige regeerperiode van Paars I een gat van 1,5 miljard gulden achterliet. Hij vroeg Kok wie dat ging betalen. Kok verweerde zich met een uitgebreid maar nietszeggend antwoord. Maar De Hoop Scheffer liet niet los en merkte op dat hij geen antwoord op zijn vraag had gekregen. Kok greep naar een oude discussietruc. Hij voegde De Hoop Scheffer toe: U begrijpt het niet. Ik zal u een boekje toesturen waarin u het nog eens rustig kunt nalezen. De truc is te doorzichtig. Het antwoord van De Hoop Scheffer maakte van die opmerking een boemerang: Het is jammer dat u het niet in drie zinnen kunt uitleggen. In het algemeen geldt dat u sprekers die er behagen in scheppen hun opponenten als domoren te kwalificeren, snel en scherp moet aanpakken. Laat u niet intimideren. Antwoorden op dergelijke discussietrucs zijn bijvoorbeeld:
Als ik u niet begrijp, zal dat aan uw uitleg liggen.
Wat ik begrijp is dat u de feiten niet kent.
Wat ik begrijp is dat u onder het antwoord probeert uit te komen.
Bedenk echter steeds dat u later waarschijnlijk met diezelfde persoon door één deur moet kunnen.

Er zijn politici die u in een rechtstreeks debat onder tv-lampen met de mond vol tanden kunnen zetten. Ze kunnen met dermate kwaadaardige, manipulerende en onwaarachtige quasi-argumenten komen dat u de leugens die ze in één zin kunnen proppen, niet ter plekke kan ontzenuwen om er vervolgens waarheid voor in de plaats te stellen. U voelt dat uw antwoord veel te ingewikkeld zou worden. Vervolgens, de gladde rattigheid beseffend van wat er gebeurt, zou u ter plekke in woede ontsteken en dan zouden die politici dubbel gelijk krijgen: "Zie je wel: het is een schuimbekkende fascist!”. Met een repliek als: De geachte heer X neemt het blijkbaar niet zo nauw met de waarheid, kunt u proberen die stapeling van onjuistheden buiten spel te zetten. Een element waarmee de spreker wel erg in strijd is met de werkelijkheid kan voldoende zijn om een heel betoog als ongeloofwaardig te kenschetsen.

Etiketten plakken

Wanneer uw opponenten u op minder sportieve wijze buiten spel willen zetten, maken ze gebruik van de verdachtmaking. De formule: Ja, u mag het met mij niet eens zijn dat is natuurlijk uw goed recht... is een bekende poging om de opponent te degraderen tot iemand die alleen maar opponeert om het opponeren en geen geldige argumenten heeft. Zo'n formule wordt gemakkelijk gebruikt om de discussie over bijvoorbeeld de gevaren voor de volksgezondheid van het autoverkeer te versmallen tot een minder belangrijk meningsverschil tussen twee deelnemers aan de discussie.
Met een opmerking als Dat is weer prietpraat van een milieugroep wordt u een etiket opgeplakt. Elke opmerking die u nog maakt wordt daarmee in verband gebracht. Reageer daarop met een uitspraak als Het heeft geen zin elkaar in hokjes op te stoppen, ik stel voor om het zakelijk te houden.

Een bekende truc om uw inbreng te bagatelliseren is: Ja, dat is uw visie. Ik kijk daar anders tegen aan. Wanneer uw "visie" een reeks feitelijke, controleerbare gegevens betreft, is er geen sprake van een visie. Wie zijn opponenten kan etiketteren als een groep onpraktische wereldverbeteraars heeft zich ontslagen van de verplichting om in te gaan op de argumenten van die groep. Een voorbeeld vinden we in de discussie rond de uitbreiding van de luchthaven Schiphol. Een aantal politici, maar zij niet alleen, typeert de tegenstanders van die uitbreiding als aanhangers van een wereldbeeld, waarin de luchtvaart het symbool is van een dolgedraaide uitputtings­economie en de milieu­verontreiniging. Veel van de argumenten van hun opponenten zijn nu bij voorbaat al ontzenuwd. Die argumenten komen immers voort uit een bepaalde visie die nauwelijks ernstig te nemen is? Dus zijn de argumenten zelf ook 'besmet'. Wanneer de betreffende politici op hun beurt geëtiketteerd worden als verblinde aanhangers van een opvatting waarin de luchtvaart dienst doet als een vliegwiel voor economische groei, werkgelegenheid en andere voordelen, lijkt een gesprek tussen de partijen bij voorbaat nutteloos. De 'krommunicatie' tussen beide partijen komt dan niet zozeer voort uit verschillen van mening over technische aspecten als geluidshinder of veiligheid als wel uit volstrekt verschillende wereldbeelden.

Bewering toedichten

Een spreker valt zijn opponent aan op een uitspraak die hij niet heeft gedaan.

Tijdens een discussie meent een spreker dat hij de natuurgeneeskunde niet als het middel voor alle kwalen ziet. Op deze uitspraak die ten doel had om niet alle natuurgenezers al bij voorbaat heilig te verklaren, wordt door een voorstander van de natuurgeneeswijze als volgt gereageerd: natuurgenezers zijn helemaal geen louche figuren, integendeel . . .
Het kan zijn dat deze reactie het gevolg is van niet goed luisteren. De toehoorder reageert impulsief op een woord of suggestie die hij meent te horen: die natuurgenezers zijn louche figuren. Die reactie kan ook op tactische overwegingen berusten: hij probeert zijn opponent in een kwaad daglicht te stellen door deze het emotioneel geladen 'louche' in de mond te leggen wat die niet gezegd heeft.

NIMBY-argument

Het 'Not In My Backyard' argument wordt vaak gebruikt om iemand van het behartigen van persoonlijke belangen te beschuldigen. Alsof een burger niet voor zichzelf mag opkomen. Het wordt door politici niet zelden als onverantwoordelijk gedrag bestempeld, omdat dat zou getuigen van onwil om eigen belang op te offeren aan het algemeen belang. Veel burgers leggen het accent anders. Zij zien nimby's als voorbeelden van burgers die verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving. Of zij met hun houding het grotere, nationale belang schaden is voor hen geen vraag. Wanneer na verloop van tijd in iedere achtertuin een spoorlijn, snelweg of luchthaven ligt, is heel Nederland onleefbaar geworden. Zij menen juist dat de lasten van het vermeende nationale belang niet opwegen tegen de lusten.

Wie bewoners NIMBY-gedrag verwijt, probeert de besluitvorming te sturen naar de vraag: mogen individuele belangen het winnen van algemene belangen. Lukt die afleidingsmanoeuvre dan staat de uitslag meestal al vast. Zonder verdere argumentatie worden individuele belangen als een lagere zelfs besmette orde bestempeld.

In de gemeente Muiden gebruikte de politiek het NIMBY-argument om te suggereren dat de bezwaren van honderden bewoners tegen het vestigen van een composteer­bedrijf op zo'n honderd meter van hun wijk alleen ingegeven werden door hun wens dit afvalverwerkend bedrijf niet in hun achtertuin te krijgen. De betrokken bewoners hadden tot taak dit schijnargument te ontzenuwen.

Een variant op het NIMBY-argument werd gelanceerd door een raadslid dat waarschijnlijk niet helemaal begreep waarvoor hij was gekozen. Het verweer van de betrokken bewoners ontlokte hem de uitroep: Gaan we koppen tellen? Als een flinke groep bewoners tegen is, moet dan het afvalbedrijf maar bij de woning van een ander neergezet worden? De redenering die aan deze uitroep ten grondslag ligt, lijkt verdacht veel op die van de boer die zijn mest in de tuin van zijn buurman stort en op diens klacht daarover tegen die buurman zegt: Wat wilt u nou eigenlijk? Moet ik het soms bij de buurman naast u in de tuin storten? U bent niet erg sociaal voelend.

Deze redeneertrucs pareerden de bewoners met de volgende toelichting. Het gaat hier om de vestiging van een bedrijf dat gezondheidsrisico's inhoudt. Die risico's worden door de korte afstand tot het woongebied onevenredig groot voor bijvoorbeeld bejaarden in de nabijgelegen bejaardenwoningen en het bejaardenhuis, voor kinderen en zieken. Het is de taak van de overheid om ervoor te zorgen dat geen enkele bewoner aan onnodige gezondheidsrisico's wordt bloot gesteld. Wanneer de overheid een fout begaat om een afvalbedrijf te dicht bij een woongebied te willen plaatsen, moet de overheid die fout herstellen. Het is dan een vorm van misleidende argumentatie om vervolgens de bewoners te verwijten dat ze alleen hun eigen belang in het oog houden.

Een politicus hanteert soms een variant op deze redeneertruc. Hij beweert dan dat de burgers natuurlijk het volste recht hebben om hun standpunt naar voren te brengen. Maar de politicus moet ook andere belangen afwegen en een breder belang dienen. Opnieuw een poging om de belangen van de direct betrokken bewoners te degraderen. Wanneer die politicus dan nog de slogan ‘zijn verantwoordelijkheid nemen’ erbij sleept om zich als hoeder van het algemeen belang te profileren, durven weinig burgers zich nog te laten horen. Tijdens het debat over het composteer­bedrijf in de Muidense raad wilde één burger weten wat de ‘eigen verantwoordelijkheid nemen’ en die ‘algemene belangen’ dan inhielden. De betreffende de politicus greep naar de slogan ‘meer werkgelegenheid’. Bij verder navragen bleek die kreet een lege huls. Dat ‘banenplan’ zou aan drie personen werk bieden ten koste van een verhoogd gezondheidsrisico van honderden bewoners van nabij gelegen woningen. Een bewoner stelde de wethouder voor dat banenplan meer inhoud te geven door de extra medische zorg voor carapatiënten, kinderen en ouderen bij die drie banen op te tellen.

Een verwijzing naar het NIMBY effect kan gebruikt worden om burgers op een verkeerd spoor te zetten. De commissievergadering over het composteerbedrijf had zich al twee uur voortgesleept, toen één van de raadsleden duidelijk zijn geduld verloor en riep: mensen klagen tegenwoordig zo gauw, vooral wanneer een bedrijf dichtbij hun huis komt.
Dat is een uitspraak die op zich juist kan zijn, maar hier gebruikt werd om de aandacht van de werkelijke problematiek af te leiden. Voor hinder veroorzaakt door geuremissie, geluid en stof bestaan normen. Worden die normen overschreden dan is er sprake van overlast die een direct risico voor de gezondheid inhoudt.

Risico is overal

Datzelfde raadslid voerde aan dat het leven nu eenmaal risico's met zich brengt en dat wij ons in deze gecompliceerde maatschappij niet kunnen onttrekken aan minder gewenste randverschijnselen als lawaai, stank en gezondheidsrisico's. Het is natuurlijk waar dat we allemaal de kans lopen ziek te worden. Maar dat mag voor de overheid geen reden zijn die kans bewust te vergroten door een bedrijf toe te staan zich zo dicht bij een woongebied te vestigen.

Fabeltjesland

Kortsluitingen in het relationele aspect zijn soms terug te voeren op onwetendheid van bestuurders en ambtenaren. Nog steeds blijken functionarissen die beter zouden moeten weten, slecht op de hoogte van de risico's van lawaai. Na al wat er geschreven is en wordt over de gezondheidsrisico's van verkeerslawaai, zijn er toch nog uitspraken te noteren, waaruit is af te leiden dat de persoon in kwestie niet gehinderd wordt door teveel aan kennis op dat gebied. Tijdens een bijeenkomst van de commissie Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer (ROB) over een herinrichting van de Rijnspoorkade in Rotterdam, licht een ambtenares van de dienst gemeentewerken het plan toe. Haar uitleg had als thema dat alle voorgenomen veranderingen zouden bijdragen aan een "promenadegevoel" bij de wandelaars langs de kade. Enig tegengas kwam van een vertegenwoordiger van Groen Links: maar als je aan dat uitgangspunt wilt voldoen, moet je eigenlijk de Maasboulevard verplaatsen. Ondanks alle onderzoeken over de gezondheidsrisico's voor bewoners langs drukke verkeerswegen, antwoordt mevrouw: De Maasboulevard stoort niet. Je hoort alleen een beetje geruis, maar de zee ruist ook. Zo beschouwd draagt zelfs een drukke verkeersader bij tot het 'promenadegevoel'. (Bron: Maasstad, dd. woensdag 14 juli 1999, jg. 65, nr. 28. Kralingen, p. 1).

Fabeltjeskrant

Ook dagbladen lopen soms in de fuik van de hoopvol gestemde onderzoeks­rapporten. Met een vette kop kondigt het Rotterdams Dagblad van 19/6/99 aan Lucht bij A13 en A20 beter. Verkeersintensiteit neemt toe, maar auto's worden schoner. Bij nauwkeuriger lezen blijkt dat de kop de inhoud nauwelijks dekt. Die kop blijkt de weergave van een voorspelling en is niet gebaseerd op metingen. In het artikel zelf wordt een medisch milieudeskundige van de GGD geciteerd die toegeeft dat het doen van een voorspelling over luchtvervuiling koffiedik kijken is. Die voorspelling is het resultaat van berekeningen met het CAR-model. Maar blijkbaar hebben onderzoeks­rapporten nog steeds een status van onwrikbare betrouwbaarheid.
De Volkskrant maakt er op dinsdag 14 september 1999 met de misliedende kop CO2-daling. Al in de eerste zin van het bijbehorende artikel staat dat volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de uitstoot van kooldioxide vorig jaar nauwelijks is toegenomen. Die toename was minder dan 0,2 procent. Er is dus geen sprake van een daling, maar van een minder dan verwachte groei. Verder in het artikel blijkt dat die vermindering van de groei misschien zelfs volledig het gevolg is van statistische ruis. De onzekerheidsmarge van de kooldioxidecijfers was altijd al drie procent. Bovendien, de cijfers van het RIVM zijn niet gebaseerd op metingen in de Nederlandse atmosfeer. Het zijn berekeningen op basis van getallen van voornamelijk het Centraal Bureau voor de Statistiek. Hoe komt de betreffende verslaggever erbij om dan toch over een daling te spreken? Misschien heeft een ander artikel op dezelfde bladzijde met de kop Vervuiling van Milieu neemt af hem op dat dwaalspoor gezet. Want daarin staat: zelfs een van de meest hardnekkige milieuproblemen, de uitstoot van kooldioxide, die mede debet is aan het broeikaseffect, liet een opmerkelijke daling zien. De verslaggever heeft de gegevens ontleend aan de Milieubalans 1999, die maandag 13 september 1999 is gepresenteerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Woordgegoochel

Verkeersdeskundigen verstrikken zich soms in hun eigen jargon. Zij ontkennen bijvoorbeeld dat de verkeersintensiteit op een weg als de Maasboulevard hoger kan worden. Hun argument is: op de Maasboulevard staan stoplichten, die bepalen de maximale capaciteit van de weg. Bij een bepaalde aanvoer van auto's kan die intensiteit niet hoger worden. Deze uitleg lijkt logisch. Maar de zaak ligt wat anders. Pas wanneer de aanvoer van auto's de maximale capaciteit van de weg heeft bereikt, is de verkeersintensiteit op z'n hoogst. Wanneer er meer auto's over de weg willen, dan de maximale capaciteit toelaat, zullen er voor de stoplichten files ontstaan. Omdat de verkeersintensiteit van een weg wordt vastgesteld aan de hand van het aantal auto's dat een bepaald meetpunt voorbij rijdt, neemt die intensiteit zelfs af. Want files hebben tot gevolg dat er minder auto's het meetpunt passeren. De verkeersintensiteit neemt dan af, terwijl de milieudruk door een rij stationair draaiende motoren sterk toeneemt.

drie-of-vier.jpg

Wat zei'ie nou? twee of drie staven?

Het goochelen met 'jaargemiddelden', 'grenswaarden', 'uitzonderingswaarden' en andere 'wettelijke normen' waarmee argumenten van overlast worden weggeschoven, gebeurt vaak nog op een andere manier. De verantwoordelijke overheid volgt dan in principe de redenering: overlast is alleen een geldig argument als er een wettelijke norm voor bestaat. Is die norm er niet, dan heeft u niet het recht om overlast te ervaren.

Een voorbeeld daarvan betreft de argumentatie over geluidshinder. De wetgever, de Tweede Kamer, heeft de Wet Geluidshinder vastgesteld. Daarin staan de grenzen van onaanvaardbare geluidshinder vermeld, gebaseerd op risico's voor de volksgezondheid: 55 dB(A) aan de gevel van een woonhuis, 35 dB(A) binnen met gesloten ramen. Bij een geluidssterkte net onder de 55 dB(A) moet u niet zeuren, want dat valt buiten de wettelijke norm.

Tijdens een discussie in het programma NOVA rond de voorgenomen uitbreiding van het vliegveld Maastricht-Aachen werd de ‘norm’ weer gebruikt om omwonenden van het vliegveld met een oordop weg te sturen. Mevrouw Van Rooyen, CDA-parlementslid en fervent voorstandster van de uitbreiding van het vliegverkeer, gebruikte tegen een aantal omwonenden van dat vliegveld het excuus dat de lawaaioverlast volledig binnen de geldende normen viel. Met andere woorden: u moet niet zeuren, want die overlast valt best mee. Terecht antwoordde de woordvoerdster van de actiegroep dat de bewoners niet wakker worden van normen. Normen zijn gemiddelden. Over een hele nacht gemeten vallen drie overgierende vliegtuigen in het niet tegen de overige uren van betrekkelijke stilte. Maar van die drie vliegtuigen schiet de burger wel recht overeind in z’n bed. Dat weet de politieke woordvoerdster natuurlijk ook wel. Het schermen met de geldende normen is dan eigenlijk een onvergeeflijke truc om de opponent de mond te snoeren.

Met diezelfde truc werd een bewonersgroep geconfronteerd die bezwaar maakte tegen de toenemende luchtvervuiling en geluidsoverlast op de Maasboulevard te Rotterdam. Als antwoord op hun schrijven van 19-8-1997 over deze zaak ontvingen zij na lang wachten een brief van de Deelgemeente Kralingen-Crooswijk (dd.19 mei 1998) waarin over de geluidbelasting de volgende leerzame passage stond:
De Wet geluidshinder kent het begrip geluidszone. Het gebouw "De Landmark" (de naam van het flatgebouw van de betrokken bewoners) ligt in de zone van de Maasboulevard en de Honingerdijk. Zowel "De Landmark" als beide wegen waren reeds aanwezig op 1 maart 1986. Dit betekent dat het hier een zogenaamde bestaande situatie in de zin van de Wet geluidshinder betreft waarvoor strikt genomen geen hoogst toelaatbare geluidsbelasting geldt.
De ambtelijke redeneertrant is ook hier gemakkelijk samen te vatten: er is geen norm, dus geen probleem, u moet niet zeuren.

Gesjoemel met normen

Wees op uw hoede wanneer politici zich beroepen op grenswaarden, drempelwaarden en emissienormen. De kans is groot dat ze proberen u knollen voor citroenen te verkopen. De manier van manipuleren met grenswaarden is meestal duidelijk. Politici verschuilen zich graag achter de vondsten van statistici die pas van overlast spreken wanneer vanaf Zestienhoven tien of vijftig keer een vliegtuig bulderend over uw dak gaat. Politici en in hun voetspoor de media zeggen dan bijvoorbeeld dat de grens van het toelaatbare lawaai voor het hele jaar nog niet is overschreden. Maar het is al eerder gezegd, burgers worden niet gekweld door gemiddelden en grenswaarden, maar elke keer opnieuw wanneer het buldert. Ook de milieubeweging heeft zich door die redeneertruc in slaap laten wiegen. Die spant een kort geding aan om de minister van lawaai zich aan ‘de letter van de wet’ te laten houden. Maar de wetten op de lawaaioverlast deugen niet. Lawaai heeft niets met uitsmeren over een jaar te maken. De grenswaarde van burgers is op 2 januari al overschreden, nadat er in de nacht meerdere keren een vliegtuig dreunend, gierend en fluitend over hun dak is gegaan. Al jaren beijvert de overheid zich om de geluidshinder van vliegtuigen terug te dringen. Maar dat beijveren lijkt grotendeels te vallen onder de noemer ‘verbale inspanningen’. Wanneer de overheid uiteindelijk een norm voor geluidsoverlast vaststelt, heeft die nogal eens de kenmerken van een wisseltruc. Eerst wordt voor een nachtelijke norm voor geluidsoverlast het ‘gemiddeld niveau per nacht’ genomen. Vervolgens wordt daar een ‘algemeen jaargemiddelde’ van gemaakt. Het gevolg van die verruiming is dat bijvoorbeeld een hele zomer lang tussen vier en zes uur in de ochtend chartervliegtuigen kunnen starten. Want in het jaargemiddelde wordt die herrie door de stillere winter wel weer goedgemaakt. Het verraderlijke met die ‘normen’ is steeds: ze zijn de uitkomst van het gemiddelde van een reeks metingen. Twintig keer een straaljager over uw dak of vier keer een Boeing 747 op 650 m boven uw wijk valt ‘binnen de norm’ als de herrie de rest van de dag of nacht of gemiddeld over het hele jaar maar niet te gek wordt. Maar wie in de nachtelijke uren viermaal door het voorbij scheuren van een vliegtuig is gewekt, wordt niet in slaap gesust door het verhaal dat de boosdoener nog beneden de geldende norm is gebleven. Gemeten over een hele nacht vallen die vier geluidspieken weg, maar de burger is wel ernstig in zijn nachtrust gestoord.

Een andere truc is: de overheid en directies van luchthavens beperken zich bij de controle op de milieueffecten van het vliegen bij voorkeur tot de geluidshinder binnen de 35 Ke zone en tijdens het landen, taxiën en starten. Maar het merendeel van de klachten over geluidshinder komt van buiten het gebied van die 35 Ke. Die contour van 35 Ke is bovendien een erg ‘soepele’ norm. Dat komt in de praktijk neer op een geluidsniveau van gemiddeld 65 dB(A). Die geluidssterkte is te vergelijken met het lawaai in een druk restaurant. Bovendien tellen in Nederland niet alle vliegtuigen mee, maar alleen die meer dan 65 dB veroorzaken. Volgens Ir. J. Fransen van de Stichting Natuur en Milieu en vele honderd duizenden omwonenden is dat een vreemde maat. Geluidsoverlast begint al bij 45 à 50 dB. Bovendien heeft de Wet Geluidhinder een nachtnorm voor de periode 23 tot 7 uur, terwijl voor het luchtverkeer de nacht al om 6 uur mag eindigen.

De luchtvaart mag blijkbaar meer herrie maken dan de industrie en het andere verkeer. Want voor de wet lawaaihinder industrie geldt een grens van 45 dB(A), voor verkeerswegen 50 dB(A). De overheid baseert zich op rekenmodellen die inschatten hoeveel mensen overdag en ‘s nachts last hebben van vliegtuiglawaai of dat gaan krijgen. Die rekenmodellen worden gevoed met cijfers die voor de luchtvaart niet ongunstig uitpakken. Want ze spuwen resultaten uit die in de regel ruim binnen de toch al soepele normen vallen. Wanneer eindelijk na veel touwtrekken en - vooral - oprekken een geluidsnorm is vastgesteld, gebruikt de overheid die als vijgenblad om niets te hoeven doen. Dat verleidt gemeenten er zelfs toe om in gebieden onder de rook van de luchthaven woonwijken aan te leggen. Die vallen immers nog binnen de norm voor geluidsoverlast?

In 1993 is opnieuw naar de landelijk geldende norm voor nachtelijk luchtverkeer gekeken. Op 12-6-1993 stond in diverse kranten de uitkomst van die bezinning. Op basis van de zogenoemde LAeq-norm koos de regering voor een maximaal toelaatbaar niveau van gemiddeld 27 dB(A), gemeten over een jaar. In de toevoeging van het woord ‘gemiddeld’ zit’m nou net weer de kneep. Dat betekent dat u een groot deel van het jaar vele malen in uw slaap gestoord kunt worden zonder dat het jaargemiddelde boven de norm komt. Maar als Schiphol het echt te bont maakt en de gestelde normen overschrijdt? Dan wordt er toch onmiddellijk ingegrepen? In april 1997 veroorzaakten nachtvluchten op Schiphol teveel lawaai. Dat schreef minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) aan de Tweede Kamer. Het ingrijpen van het ministerie beperkte zich tot een opdracht aan Schiphol om maatregelen te nemen tegen overschrijding van de geluidsnormen. In september 1997 ziet u weer hetzelfde gebeuren. Op sommige plaatsen wordt de wettelijk gestelde norm overschreden, vrijwel onmiddellijk gaan het Ministerie en de Tweede Kamer door de knieën, de VVD voorop. Een ‘tijdelijk gedogen’ van de overschrijding moet kunnen.

Zodra de overheid zich beroept op geldende normen dient de burger attent te zijn. Een populaire manier van sjoemelen met normen is het oprekken ervan, of het tijdelijk toestaan van overschrijdingen. Het aankondigen van een nieuw meetsysteem is ook een handige manier van de overheid om zich Oost-Indisch doof te houden voor de klachten van de burger.

Rekenmodellen

Het is in de praktijk vaak moeilijk om metingen van bijvoorbeeld geluidbelasting en concentraties vervuilende stoffen te verrichten. Daarvoor worden computergestuurde rekenmodellen gebruikt die niet uitgaan van metingen ter plaatse maar van berekeningen. Burgers koesteren vaak terecht het nodige wantrouwen tegen die modellen. Neem bijvoorbeeld de rekenmodellen voor het bepalen van de geluidbelasting en de luchtkwaliteit. Die tonen vaak tekortkomingen die voor een belangrijk deel zijn terug te voeren op onvolledige en onjuiste invoerwaarden. De uitkomsten geven vervolgens een onvolledig of onjuist beeld van de werkelijke situatie.

Het gevaar is niet denkbeeldig dat politici op grond van die cijfers maatregelen voorstellen die de bewoners veroordeelt tot groter gevaren voor hun gezondheid, dan de berekende gegevens uitwijzen. De waarden berekend met de onvolledige rekenmodellen worden meestal als absolute gegevens gehanteerd. De werkelijke situatie kan slechter zijn dan de berekeningen veronderstellen. Die situatie deed zich voor langs de Maasboulevard in Rotterdam. Bewoners wezen de overheid erop dat de rekenmodellen met een aantal componenten en factoren niet of onvoldoende rekening hielden. Het antwoord van de overheid liet lang op zich wachten, maar was dan ook een poedelprijs waard.

Zowel voor de wettelijk voorgeschreven berekeningen t.a.v. de luchtkwaliteit als van de geluidsbelasting geldt dat de gebruikte modellen actueel worden gehouden maar (daar komt het) dat niet continu rekening kan worden gehouden met de door u genoemde ontwikkelingen zoals de voorgestane 24-uurseconomie en zaken als een toename van het verkeersaanbod door wijzigingen in de wegenstructuur.

Hoe is-ie? Hij is fijn. We maken een rekenmodel, maar willen dat verder niet meer aanpassen. Ook niet wanneer de wegstructuur of het gebruik van de weg blijvend verandert.
Het zou plezierig zijn wanneer de belastingdienst van uw gemeente van u een zelfde redenering zou accepteren. U kunt die dienst erop wijzen dat u uw woning ingrijpend heeft verbouwd en er een stuk grond bijgekocht heeft waardoor de waarde van uw bezit flink gestegen is. Maar de hoogte van de Onroerend Zaak Belasting is al eerder volgens een bepaald puntensysteem bepaald en u kunt niet voortdurend rekening houden met zaken als een verbouwing en nieuwe ontwikkelingen.

Afschuiven

discuss_burger.png

Een bekende manier om burgers af te schepen, is de belofte van meer onderzoek. Het is waar, onze kennis is onvolkomen en dat blijft zo. Met onderzoeken kun je eindeloos doorgaan. Maar wachten tot alle gegevens voorhanden zijn, betekent vaak een vertraging van jaren. Het beloven van een nieuwe nota kan ook een vorm zijn van afschepen. Opnieuw moet een ambtelijk stuk worden gemaakt dat langs alle parafen moet om vervolgens ooit weer op de agenda te komen. Het is een geijkte manier om zaken via opschuiven, doorschuiven, wegschuiven uiteindelijk af te schuiven.

Een andere weg naar hetzelfde moeras is de formule: dit is een complex vraagstuk dat niet zo eenvoudig is op te lossen, hier is een diepgaand onderzoek op een breed terrein nodig. In feite bedoelt de spreker te zeggen: ik ga daar niet over, dus laat ik mijn besluit daar maar niet van afhangen. Maar wie wacht op een landelijk of Europees draagvlak, gaat in feite akkoord met een verdere achteruitgang. Wachten op de laatste 'bekeerling' betekent dat er niets gebeurt.

Angst opwekken

Een glaszuivere emotionele truc, omdat angst misschien wel de meest basale emotie is: "We moeten de Russen aanvallen, want anders vallen ze ons aan" (gedurende vijftig jaar in de internationale politiek de meest gebruikte retorische truc).
De truc wordt ook omgekeerd gebruikt. Wanneer iemand bezwaar maakt tegen bepaalde minder gewenste tendenties in een groep (onderdrukking van vrouwen door de Islam) wordt dat bezwaar terzijde geschoven als angst voor de islam.

Herhaling (Ad infinitum)

Veelvuldige herhaling van eigen standpunten. Er zijn twee versies:

Framing

Framing is een overtuigingstechniek in communicatie. Wie een frame gebruikt, probeert via woorden, de beelden en gevoelens die ze oproepen, de manier waarop anderen naar de werkelijkheid kijken te beïnvloeden. Het frame wordt een bril waardoor we bepaalde informatie wel zien en andere juist niet. Zowel in de politiek als in de reclame wordt framing bewust ingezet. Geen enkele communicatie is volstrekt objectief, en dus kent iedere uitspraak wel een zeker frame (denkraam) van veronderstellingen die eronder verborgen zitten. Bij framing als overtuigingstechniek wordt gekozen voor woorden en beelden die het meest gewenste aspecten naar voren halen, en waarvoor de beoogde ontvangers het meest bevattelijk zijn.

Anders dan bij het gebruik van argumenten als overtuigingsmiddel, gaat het bij framing vooral om het beeld en de associaties die de communicatie oproept.

Framing is in de politiek sterk in de belangstelling gekomen door de presidentsverkiezingen van 2004 in de Verenigde Staten, waar de Republikeinen de Democraten op dit gebied aftroefden.[1] Een voorbeeld daarvan is het gebruik van de term "Tax relief" (belastingverlichting) door de Republikeinen. Het woord "relief" is een impliciete beschuldiging aan het adres van degenen die de belastingen hebben laten oplopen, de Democraten. Door het overnemen van dit woord in de pers en in onderlinge gesprekken, vond ook de beschuldiging een breed publiek. De Democraten werden in het defensief gedrongen, wat het beeld nog versterkte.

Een van de bekendste frames met grote gevolgen voor de recente wereldgeschiedenis is de reactie van George W. Bush op de aanslagen van 11 september. Deze Republikeinse president heeft de strijd tegen het internationale terrorisme toen niet benoemd als ‘de strijd tegen terrorisme’. Hij heeft die veel zwaarder aangezet als ‘de oorlog tegen terreur’ (the war against terror). Door de bril van dit extreme oorlogsframe zie je een wereld verdeeld in terroristen en helden. Bush dwong andere landen daarmee zijn zijde te kiezen: ‘You are either with us or with the terrorists.’

framing Bij een debat over TTIP maken voorstanders van Die overeenkomst met de USA graag gebruik van de term ‘onderstroom’ ter aanduiding van de steeds breder levende afkeer van TTIP bij het Nederlandse electoraat. Een woordvoerder van BuZa zei letterlijk dat wat hem betreft het verzet tegen TTIP in belangrijke mate was ingegeven door een breed gedeeld wantrouwen tegen elite en het politieke proces en gebruikte daarvoor de term ‘onderstroom’ die hij en zijn baas, minister Ploumen, te lang hadden genegeerd en vanaf nu serieus zouden nemen.

Die term onderstroom heeft voor velen associaties met koud, duister, gevaarlijk, onbetrouwbaar, onredelijk, irrationeel, populistisch, massaal, het absolute tegendeel van elitair, rationeel, licht, helder, individualistisch en redelijk. Dat zijn kwaliteiten die voorstanders kennelijk aan hun eigen standpunt toeschrijven.

Een criticaster van TTIP voelt zich met zo'n associatief beladen term meteen in een nare hoek geplaatst. Zijn standpunten zijn niet de uitkomst van een integere poging zoveel mogelijk te lezen over de voor en nadelen van het voorgenomen handelsverdrag, maar worden weggezet als een populistische reflex: een emotionele brei van duistere vooroordelen.

Niet alle framingspogingen slagen. Bekend voorbeeld uit de Nederlandse politiek is het gebruik van de term VOC-mentaliteit, door Jan Peter Balkenende bij de Algemene beschouwingen van 2006. Hij wilde daarmee de economische groei van toen plaatsen in het kader van Nederlands zelfbewustzijn dat verder keek dan de eigen landsgrenzen. Onbedoeld zat aan dit frame ook de kant van onderdrukking en uitbuiting, wat het bedoelde beeld ontkrachtte.

Een onderwerp dat is geframed, waar een groot deel van de bevolking een bepaalde term voor gebruikt, kan door reframing weer een andere lading krijgen. Door voor bepaalde groepen asielzoekers de term "economische vluchtelingen" te gebruiken, en later "gelukszoekers", werd impliciet egoïsme in het beeld meegenomen, zodat met deze groep medelijden niet op zijn plaats is.

Afweertrucs op rij

Politicus/Bestuurder
Opponent
Langdurig zwijgen na een lastige vraag. De stilte laten duren, niet zelf antwoorden of een andere vraag stellen.
Beschuldigen: "onverantwoord gedrag" Negeren, niet emotioneel reageren.
Gezamenlijk belang overdrijven, 'wij'-situatie benadrukken. Overeenkomst in belang erkennen, echter andere inhoudelijke discussie.
Twijfel zaaien door te wijzen op afwijkende mening achterban. Verbazing tonen, aangeven beter dan de bestuurder te weten wat leeft onder de achterban.
Onverzettelijkheid, onaantastbaar zelfvertrouwen demonstreren. Op neutrale toon aangeven dat uw achterban meer middelen ter beschikking heeft dan tot op dat moment in de bespreking gebruikt.
Overdreven vriendelijk doen/waardering tonen. Kort vriendelijk reageren, vragen terzake te blijven.
Aangeven dat u het wel heel ingewikkeld maakt. Vragen wat er onduidelijk is.
Begrip vragen voor de eigen, moeilijke positie. Vervelend, maar ligt niet op uw bord, bestuursverantwoordelijkheid afwijzen.
Een ellenlang betoog afsteken, zonder de kern te raken. Vriendelijk doch beslist afkappen, kort en kernachtig samenvatten, doorvragen.
Stellen dat uw argumentatie niet deugt. Aangeven dat de ander het wellicht nog niet goed begrepen heeft, dan wel herformuleren argumentatie.

Schuld door associatie

Het was in het praatprogramma Pauw & Witteman. PvdA Tweede Kamerlid Diederik Samsom betoogde eerst dat Geert Wilders geen fascist is: Wilders verheerlijkt geen geweld. Daarna kwam diens voorstel om de Koran te verbieden aan de orde.

Samsom kon maar één partij bedenken die zo ver had willen gaan, de vroegere Allianzia Nationale in Italië en dat was een neo-fascistische partij. Ja, dan bleef er dus niets anders over dan te zeggen dat Wilders met dat punt 'een vorm van fascisme' vertegenwoordigt, zei Samsom.

Daarop viel een oud-commissaris van politie, Joop van Riessen, in met de opmerking 'In wezen zou je de neiging hebben om te zeggen: we mollen hem.' Dat zou volgens hem de 'normale' reactie zijn. ('Mollen', een woord voor moorden. Deze man kent zijn bargoens.) En PVV-stemmers zouden het land uit moeten. Nou, nou, zei Samsom, dat laatste vond hij niet en ook was Wilders mollen niet zijn eerste gedachte.

De oud-commissaris had expliciet gemaakt wat Samsom's woorden impliceerden. Samsom kan zo nodig naar waarheid verklaren dat hij nooit tot moord heeft opgeroepen. Maar de commissaris trok als een goede, maar overijverige leerling uit het laatste deel van Samson's betoog de voor de hand liggende conclusie. Wat toen weer genuanceerd werd door de meester.

Samsom's argument deugde van geen kant. Al zou het waar zijn dat een koranverbod bepleit is door een Italiaanse neo-fascistische partij, dan maakt dit zo'n verbod nog niet automatisch fascistisch. De PvdA had en heeft linkse doelstellingen die deels ook die van het Duitse nationaal-socialisme waren, want Hitler wilde goed voor de meeste Duitsers zorgen om zijn andere doeleinden te kunnen bereiken. Maar dit maakt de PvdA nog niet nationaal-socialistisch. Hitler was fel tegen roken gekant, maar dit maakt CDA-minister Ab Klink die het uit de horeca wil bannen, nog niet tot een nazi. Samsom zocht Wilders op te zadelen met schuld door associatie, wat bij mensen die niet nadenken aardig pleegt te lukken.

Wat Samsom deed was doortrapt. Hij had zijn doel bereikt zonder zichzelf bloot te geven. Je zou de indruk gekregen kunnen hebben dat hij, vergeleken met Van Riessen, een toonbeeld van redelijkheid is. Maar dat is niet zo: hij was voor de eerste helft redelijk en voor de andere een toonbeeld van sluw-demagogisch vernuft. Immers, door eerst redelijk te zijn, wekte hij vertrouwen en kreeg zijn demagogie daarna te meer overtuigingskracht.

Bliksemafleider

Het is een oude truc van politici. Als je in het binnenland een lastig besluit moet nemen dat veel oppositie gaat oproepen, dan zet je als bliksemafleider het buitenland in. In de week van 23 september 2012 moesten een paar vervelende maatregelen in het "mooiste pensioensysteem ter wereld" (zegt lobbyclub Holland Financieel Centrum) door de Kamer worden gejast en dus werd de burger in de voorgaande weken bang gemaakt dat Europa het op onze vette pensioenpotten (1.043 miljard) voorzien heeft. De Tweede kamer benoemde zelfs een pensioenrapporteur (de CDA'er Omtzigt) die 'onze' pensioenbelangen in Europa moest verdedigen. En minister Kamp riep in weekblad Elsevier: "Brussel moet zich er niet opeens in mengen". Nee, dat hoeft Brussel niet, dat doet Kamp zelf wel via zijn tijdelijke plaatsvervanger staatssecretaris De Krom.

Je vraagt je af welke pensioenbelangen nu precies verdedigd worden door Omtzigt. Brussel wil dat onze pensioenfondsen zich gaan opstellen als normale marktpartijen en de concurrentiestrijd aangaan met verzekeringsmaatschappijen. En hoewel verzekeringsmaatschappijen nu niet bepaald een onberispelijk trackrecord hebben, lijkt meer concurrentie en keuzevrijheid op pensioengebied een zeer gezonde zaak. Maar het gezellige onderonsje van vakbonden en werkgevers stelt geen prijs op meer marktwerking. Het pluche zit zo lekker. Maar laat het nu juist Omtzigt zijn die via een hoorzitting ons onwetenden duidelijk maakte dat de pensioenfondsen veel (transactie)kosten maken.

Het pensioendebat zit zo vast als een huis. De gepensioneerden willen geen verandering, maar praten niet mee. Jongeren willen wel verandering, maar wie behartigt hun belangen? De overheid? Vergeet het maar. De Krom maakt het volkomen duidelijk: via de pensioenfondsen kan de overheid/politiek inkomenspolitiek bedrijven en 'leuke dingen doen'. Niets nieuws onder de zon. Maar het mooie van ons pensioensysteem was nu juist dat het een kapitaaldekkingssysteem is (een private spaarpot) en geen omslagsysteem (pensioen wordt betaald uit overheidsbegroting zoals de AOW). Dat zou de overheid op enige afstand moeten houden, hoewel Ierland bewijst dat niets veilig is voor een overheid in paniek.

Het is dus erg vervelend voor de overheid dat er scheuren in het pensioensysteem zijn ontstaan. Pensioenfondsen moeten premies verhogen en pensioen verlagen maar dat is slecht voor koopkracht. Dus, verzin een list, Tom Poes. Eens kijken: als de markt tegenzit via erg lage rentes, dan doen we even niet aan de markt (deden we eerder ook niet bij waardering van Griekse leningen op bankbalansen). We verzinnen een eigen marktrente (UFR), die niet 2,2% is maar 4,2% en 'hocus pocus pilatus pas', de dekkingsgraad is weer boven de 100%.

Iedereen weet dat dit in het voordeel is van (bijna) gepensioneerden en nadelig voor jongeren en dat zijn ook 40-jarigen! Maar zolang 50% van de Nederlanders geen flauw idee heeft over pensioen, dan zal het De Krom en de pensioenlobby een zorg zijn. En de mensen die het wél weten, dat zijn de gepensioneerden die het netto-bedrag op hun bankrekening zien staan, die zijn tevreden.

Aspecten van het spreken

Wat menselijke communicatie zo gecompliceerd maakt, is het feit dat u als toehoorder vrij bent om te kiezen op welk aspect u wilt reageren. Wie in een discussie aan het woord is, probeert in de regel een zakelijke inhoud te verwoorden. Mét het overbrengen van die inhoud (zakelijk aspect) wil een spreker voldoen aan persoonlijke behoeften (expressieve aspect), een ander overtuigen (appellerende aspect) en via de reacties van de hoorder informatie krijgen over het effect van (een deel van) zijn boodschap (relationele aspect). Bij het zakelijke aspect gaat het om afwegen en beslissen niet gestuurd door gevoelens zoals je gezicht willen redden, gelijk willen hebben, je presenteren, je wreken of rehabiliteren, een wit voetje halen. Maar spreken is altijd beladen met die andere aspecten. Want wie spreekt, geeft iets van zich zelf prijs, wil een ander overtuigen en wil weten hoe zijn boodschap wordt ontvangen. De vier aspecten spelen tijdens een discussie gelijktijdig een rol en compliceren het mondeling communiceren. Als een deelnemer slechts één aspect beheerst is de kans op communicatiestoringen groot.
Een deelnemer moet in discussies attent zijn op de manier waarop opponenten die verschillende aspecten gebruiken of misbruiken. Afhankelijk van het aspect waarop hij in het bijzonder let, zal zijn reactie op wat hij hoort verschillen. De zakelijke inhoud probeert hij te begrijpen. Het expressieve aspect van de boodschap stelt hem in staat een diagnose van de spreker te maken: 'wat is dat voor iemand?', of: 'Wat is er op het moment met hem aan de hand?'. Bij het appellerende aspect gaat het om de vraag: 'wat wil die spreker van mij?'. In zijn manier van spreken en discussiëren laat de spreker merken wat hij van de hoorder vindt. Die informatie kan de hoorder bijvoorbeeld afleiden uit de lichaamstaal van de spreker, diens woordkeus en intonatie. Als hij zich afvraagt op welke manier de spreker hem inschat, heeft hij aandacht voor het relationele aspect. Zijn aandacht voor de zakelijke inhoud vermindert bijvoorbeeld op slag wanneer hij merkt dat een spreker hem niet als gelijkwaardig beschouwt of hem wil intimideren of een façade opwerpt om zijn werkelijke beweegredenen te verbergen.

De verschillende aspecten van het communicatieproces

Expressieve aspect

Het woord nemen in een gesprek vereist een dosis moed, want zo'n bijdrage stelt anderen in staat conclusies te trekken over de persoon van de spreker. Sprekers kunnen zo nerveus zijn dat hun vermogen tot helder formuleren wordt belemmerd. Anderen laten zich leiden door persoonlijke gevoelens, weten te weinig van het onderwerp, wensen zich niet in te spannen, zijn te timide om een standpunt in te nemen, zijn te afhankelijk van anderen, twijfelen aan de waarheid van wat zij beweren, of beschikken niet over de taalbeheersing die hen in staat stelt hun gedachten goed te formuleren. Zwijgen is soms de meest consequente façade om zich niet bloot te geven, dat kan zelfs een vorm van spreekangst zijn. Sprekers gebruiken soms discussietrucs om te voorkomen dat anderen zich een minder gewenst beeld van hen vormen. Die discussietrucs worden ook gebruikt om de toehoorder op een dwaalweg te voeren, of om de werkelijke gevoelens en gedachten te verbergen.
De spreker neemt ze te baat om de opponent van al te lastige tegenwerpingen af te houden. De toehoorder moet maar op gezag van de spreker aannemen dat de boodschap klopt en het appel op hem terecht is. Zolang de hoorder zich stil houdt, kan de spreker mikken op prestigewinst voor zijn persoon. Sprekers gebruiken moeilijk te begrijpen uiteenzettingen wel eens om het eigen prestige te verhogen. Een andere manier is het als bijkomstig vermelden van zeer positieve mededelingen over zichzelf. Een veel gebruikte techniek is het sturen van het gesprek naar onderwerpen, waarover ze veel verstandigs kunnen zeggen, waar ze zich als het ware thuis voelen. Ze hebben dan het voordeel van een thuiswedstrijd. Met welke informatie de spreker probeert te imponeren, is meestal ook afhankelijk van de hoorder. De één is te imponeren door over zijn tweede huis in Zwitserland te vertellen, een ander met progressieve standpunten, een derde met algemene ontwikkeling of met het afkraken van bepaalde personen of groepen. Deze trucs hebben ook een keerzijde: ze worden tenslotte doorzien als imponeergedrag en bewerken dan vaak het tegenovergestelde van wat de spreker voor ogen stond.

Het appellerende aspect

Het appellerende of persuasieve aspect omvat elementen die verband houden met het beïnvloeden van de hoorder door de spreker. Wie vooral aandacht besteedt aan het appellerende of persuasieve aspect, vraagt zich af: 'wat wil hij van mij gedaan krijgen?', Of: 'wat kan ik het beste doen, gelet op wat ik nu weet?'. Omdat de taal die we gebruiken om feiten onder woorden te brengen, een appellerend karakter heeft, is het mogelijk om invloed uit te oefenen. Dat appellerende karakter kan door toevoeging van emotioneel geladen woorden zo versterkt worden dat een feit in een direct commentaar verandert. De feitelijke weergave in de zin 'De politie maakte van de wapenstok gebruik' wordt een direct commentaar door de formulering: 'de politie moest van de wapenstok gebruik maken'.
De woorden die ons ter beschikking staan om zakelijke feiten uiteen te zetten, dragen op grond van vroegere verbindingen bijna allemaal gevoelswaarden mee. Die gevoelswaarden hebben een praktische functie: ze sturen en rechtvaardigen ons gedrag. Woorden kunnen zien, voelen, ruiken, proeven en aanraken suggereren. Als iemand zegt: 'hij wierp hem een vette knipoog toe' is dit beeld door de tekst zichtbaar gemaakt. U kunt andere zintuigen van uw toehoorders activeren door te spreken over een tomaatrode blouse (= gezicht), over een perzikzachte huid (= gevoel) en over honingzoete ontbijtkoek (= smaak).

Duidelijk appellerende boodschappen zijn bijvoorbeeld bevelen, instructies, geboden en verboden. Een appellerend karakter hebben reclameboodschappen (Omo wast witter), politieke propaganda (De regering bedrijft struisvogelpolitiek) of bepaalde boodschappen uit het economisch leven (De firma X verkeert in liquiditeitsproblemen). Zulke boodschappen moeten de hoorder ertoe bewegen iets te kopen, op een bepaalde partij te stemmen of bepaalde aandelen van de hand te doen. In discussies proberen sprekers soms geloofwaardig over te komen door te verwijzen naar de eigen kwaliteiten. Daar is niks mis mee. Kennis en ervaring maken van mensen autoriteiten. Het wordt anders wanneer iemand gezag suggereert of zelfs eist zonder dat er van enige deskundigheid sprake is. Zo'n appèl op de toehoorders wordt een truc. Want dat beroep op het eigen gezag moet argumenten vervangen of een gebrek aan argumenten verbergen. Wanneer u uitspraken hoort als de volgende heeft u grote kans dat iemand als enig argument zijn gezag of reputatie aanvoert.
Geloof me nou maar, …
Neem maar van mij aan…
Ik kan je verzekeren dat …

Wanneer het appellerende karakter van boodschappen en handelingen niet duidelijk is, kan dat door de hoorder over het hoofd gezien worden. De hoorder kan de invloed van het appellerende aspect ondergaan zonder dat te merken: hij wordt gemanipuleerd. In sommige boodschappen is het 'verborgen' karakter van de zakelijke inhoud te danken aan het feit dat het accent schijnt te liggen op het zakelijke aspect. Neem een uitspraak als: het verschil in intelligentie tussen mensen wordt in hoge mate bepaald door erfelijke factoren. Een naïeve luisteraar neemt kennis van de zakelijke inhoud van deze boodschap en gebruikt die informatie om er beslissingen op te baseren. Een kritische luisteraar daarentegen vraagt hij zich af welk appellerend aspect er in de boodschap verborgen is. In dit voorbeeld gaat het er misschien om dat de spreker suggereert de pogingen om op jonge leeftijd gelijke kansen te scheppen op te geven omdat ze op illusies gebaseerd zijn. Verder kan men zich afvragen: wie (welke groep) kan er belang bij hebben dat die opvatting weerklank vindt? En hoort de spreker tot die groep of wordt hij erdoor beïnvloed (bijvoorbeeld doordat ze hem betalen)?
In veel gevallen hebben appellerende boodschappen geen effect omdat ze het probleem niet kunnen oplossen. Soms roepen appellerende aspecten bij de hoorder een innerlijke afweer op. Het zijn boodschappen waarvan de inhoud in tegenspraak is met bepaalde gewoonten of ideeën van de hoorder. Het appèl in de boodschap is ofwel moeilijk op te volgen ('Accepteer nu maar de bouw van dat bedrijf vlak bij uw woonwijk') of het kan niet meer opgevolgd worden omdat het (volgens de boodschap) 'verkeerde' gedrag al plaatsgevonden heeft en niet meer is terug te draaien (de bouwvergunning is al afgegeven).

Het relationele aspect

Door aandacht te hebben voor de relationele aspecten komt u te weten hoe de spreker tegenover u staat, bijvoorbeeld door de manier waarop hij met u praat. Wanneer u de indruk krijgt dat u niet serieus genomen wordt, dan heeft dat gevolgen voor het beroep dat op u wordt gedaan en op het zakelijke aspect van de boodschap. Geoefende sprekers voeren de discussie in een richting of naar een terrein waar hun tegenpartij zich in het nadeel voelt. Dat lukt hen beter naar mate die opponent minder goed toegerust is om deze tactieken te herkennen en af te weren.