failure.jpg

Heeft u een digitale camera? U kunt de foto's direct uit de camera gebruiken, maar meestal zullen ze te groot zijn. Op uw website moet u geen foto's van zo'n 2 MByte per stuk zetten, want dan duurt het lang voordat een bezoeker uw foto online kan bekijken. U zult dus kleinere foto's moeten gebruiken. Kleinere foto's kunt u achteraf maken, door met een beeldbewerkingsprogramma de foto's te verkleinen. U kunt het ook meteen in de camera instellen, als u zeker weet dat u de foto's toch alleen maar voor het internet maakt.

Over de grootte en met name de resolutie van beelden voor het internet bestaan veel meningen. Vaak hoort of leest u dat de foto's een resolutie van 72 dpi moeten hebben, omdat dit de resolutie van beeldschermen is. Dat is niet juist. Moderne beeldschermen hebben verschillende resoluties, maar belangrijker is nog dat webbrowsers als Internet Explorer en Netscape niet weten wat dpi is. Zij laten de beelden altijd 1:1 zien, dat wil zeggen dat ze één fotopixel neerzetten op één schermpixel. Hoe groot u de foto ziet, is dus alleen maar afhankelijk van de grootte in pixels en de beeldscherminstelling in pixels. Het aantal dpi is volkomen irrelevant.

Hoe groot is een goede webfoto? Zoals gezegd, dat hangt ook af van de beeldscherminstelling van degene die uw homepage bekijkt, en dat weet u niet. U kunt dus het beste uitgaan van een gemiddeld beeldscherm en de grootte daarvan op 600x800 pixels stellen. Wilt u dat uw foto schermvullend in beeld komt, dan moet uw foto dus ook 600x800 pixels zijn. Meestal wilt u dat niet, want er moet ook ruimte zijn voor tekst. Dan neemt u bijvoorbeeld 300x400 pixels, waarmee de foto een kwart van het gemiddelde scherm is.

Wilt u weten hoe u op uw scherm een foto een flink formaat geeft zonder de hele opbouw van de pagina uit balans te brengen, klik dan op deze knop. Daar ziet u hoe programma's als Lightbox, Shadowbox, Fancybox of Slimbox u daarbij kunnen helpen.

Hoe werkt een digitale camera?

Om te beginnen bekijken we de werking van een analoge camera.
In zijn eenvoudigste vorm bestaat een analoge camera uit een lenzenstelsel, een diafragma en een sluiter. Het lenzenstelsel zorgt er voor dat de opname die u maakt scherp is, terwijl het diafragma de hoeveelheid licht bepaalt dat op de film valt. Op het moment dat de sluiter zich ontspant, wordt via het lenzenstelsel en het diafragma licht de camera binnen geleid en komt daar op de lichtgevoelige film terecht. De chemische reactie die dan optreedt, legt de in het licht besloten beeldinformatie vast op het filmoppervlak. Met een ontwikkelprocédé wordt het beeld op de film vervolgens zichtbaar gemaakt.

Hoewel digitale camera's er vaak net zo uitzien als hun analoge tegenhangers is de werking totaal anders. Beide typen camera's gebruiken een diafragma en een lens of een lenzenstelsel, maar de manier waarop de beelden worden opgeslagen, is volkomen anders. In tegenstelling tot analoge modellen werken digitale camera's niet met film, maar wordt het beeld langs digitale weg vastgelegd op opslagmedia. De meeste digitale camera's gebruiken een CCD sensor (Charged Coupled Device) om een beeld op te nemen. De CCD-chip is een lichtgevoelig halfgeleiderelement dat is opgebouwd uit een groot aantal siliciumdioden. Een CCD bevat miljoenen lichtgevoelige cellen (pixels), vergelijkbaar met zonnecellen omdat ze licht omzetten in een elektrisch signaal. Dit analoge signaal wordt vervolgens naar een digitale waarde omgezet. Een pixel - afkorting van “picture element” (beeldelement) - is het kleinste element van een rasterbeeld of digitaal beeld dat informatie bevat over helderheid en kleur.
Een analoog/digitaal-converter zet de analoge impulsen om in digitale helderheidswaarden. Omdat de CCD onmogelijk alle in het beeld besloten informatie kan registreren, worden met “intelligente” software (Firmware) de waarden voor de ontbrekende informatie berekend. Het gereconstrueerde digitale beeld wordt vervolgens opgeslagen in het geheugen van de camera. Bij digitale beeldvorming vervangt de combinatie van CCD-chip, software en geheugen de dia's of de film die men in een analoge camera aantreft.

Aanschaf digitale camera

Voordat u een digitale camera gaat kopen, moet u bij uzelf te rade gaan waar u de camera voor wilt gebruiken. Gaat u de camera alleen maar gebruiken om er bijvoorbeeld Internet-pagina’s mee te illustreren, dan kunt u volstaan met een camera met een veel lagere resolutie. Maar denkt u er aan foto’s op papier te gaan afdrukken, dan moet u de aanschaf van een hoge resolutie camera in overweging nemen. Bij het vaststellen van de kwaliteit van een digitale camera spelen vier factoren een belangrijke rol: ten eerste de resolutie van de chip, ten tweede het principe van de werking van de chip, ten derde de optische samenstellende delen van de camera en tenslotte de “intelligentie” van de in de camera gebruikte software. De resolutie van de camera wordt bepaald door het aantal lichtgevoelige sensoren op de chip.

Hoewel de stelling “meer pixels = hogere resolutie = betere beeldkwaliteit” in principe juist is, hebben ook andere factoren een aanzienlijke invloed op de beeldkwaliteit. Ook de prestaties van de chip zijn belangrijk voor de kwaliteit van digitale beelden. Met miljoenen pixels, samengepakt op het kleinst denkbare oppervlak, is het nauwelijks verwonderlijk dat er op de meeste van de geproduceerde chips een aantal meer of minder onvolkomen pixels voorkomen. Ongelukkigerwijs kan de kwaliteit van een chip niet worden beoordeeld aan de hand van cijfers die de fabrikant u verstrekt.

Om er voor te zorgen dat u het best mogelijke produkt aanschaft, moet u speciaal aandacht besteden aan de scherpte van de contouren in het beeld en van de pixels. Zijn de resultaten daarvan bevredigend, controleer dan hoe de camera reageert op verschillende verlichtingssituaties. Ook doet u er goed aan een afdruk van een digitale foto te vragen. Als u eenmaal zo ver bent, kunt u zich een oordeel vormen over de werkelijke kwaliteit van de chips. Naast resolutie en kwaliteit van de chip spelen nog andere factoren een sleutelrol bij het genereren van digitale foto’s, bijvoorbeeld de optische technologie achter het lenzenstelsel.

Tenslotte dient u de beeldopslagcapaciteit van de digitale camera aan een onderzoek te onderwerpen. Voor elk opgeslagen beeld (in weerwil van beeldcompressie) is relatief veel geheugenruimte nodig. Daarom moet u er zich van overtuigen dat de camera wordt geleverd met snel verwisselbare geheugenkaartjes of opslagmodules. Alleen dan kunt u het opslagmedium binnen enkele seconden verwisselen en doorgaan met fotograferen. Verder moet u er zich van overtuigen dat de kaartjes klein zijn, goed hanteerbaar, betaalbaar en voldoende opslagcapaciteit hebben. Controleer verder of de digitale camera die u wilt aanschaffen, over alle mogelijkheden beschikt die u ook bij de conventionele (analoge) camera zou willen hebben.

Als u een korte blik op de aangeboden camera’s werpt of de recensies in vaktijdschriften leest, ontdekt u al snel dat er tussen camera’s met dezelfde resolutie heel grote verschillen bestaan. Dan rijst al even snel de vraag: hoe is dat mogelijk? Dit feit laat zich ten dele verklaren door het verschil in kwaliteit en de wijze waarop de chips worden gebruikt. Andere factoren die de kwaliteit van de opnamen aanzienlijk beïnvloeden, zijn de hardware en de software van de camera. De software bijvoorbeeld is verantwoordelijk voor de verbetering van het beeld. Met speciale rekenkundige bewerkingen (interpolatie) voegt de software informatie toe aan de maar ten dele geregistreerde beeldinformatie en scheidt ze belangrijke van onbelangrijke beeldinformatie. Hoe efficiënter die camerasoftware deze taken uitvoert, hoe beter de kwaliteit van de uiteindelijke foto.

Gulden snede

dguldsnede.jpg

Veel mensen maken foto’s, waarop het onderwerp in het midden geplaatst is. Helaas levert dit meestal niet de meest interessante foto op. Het kan ook anders. U kunt gebruik maken van de regels van de “Gulden Snede” om een mooi plaatje te krijgen.

Eerst een klein stukje wiskunde. Volgens de Gulden Snede is een foto in evenwicht als er een bepaalde verhouding bestaat tussen twee denkbeeldige lijnstukken die de foto in tweeën delen (de foto is bijvoorbeeld in tweeën te delen door het hoofdobject of de horizon op de foto). Volgens de Gulden Snede geldt het volgende: het grootste lijnstuk verhoudt zich tot het kleinste, zoals het gehele lijnstuk zich verhoudt tot het grootste. Dus: wanneer het kortste lijnstuk wordt gedeeld door het langste lijnstuk moet de uitkomst hetzelfde zijn als wanneer het grootste lijnstuk wordt gedeeld door het geheel.

Hoe is de Gulden Snede toe te passen in de fotografie?

Uit deze definitie is het Gulden Getal af te leiden: 1,62. Een foto is in evenwicht als het grootste lijnstuk x 1.62 gelijk is aan de totale lengte van de afbeelding. Bijvoorbeeld: een foto is 8 cm breed. Het onderwerp van de foto bevindt zich op iets minder dan 5 cm (dus grofweg op tweederde van de afbeelding). Nu geldt: 5 x 1.62 = ongeveer 8. Deze foto is dus in evenwicht volgens de Gulden Snede. Dit betekent dat het menselijk oog deze foto als uitgebalanceerd en esthetisch aantrekkelijk zal beschouwen.

Vanzelfsprekend gaat een fotograaf niet op zijn rekenmachine de Gulden Snede in decimalen nauwkeurig berekenen. Omdat het Gulden Getal bijna gelijk is aan 2/3 (0.66) kunt u aanhouden dat het hoofdobject zich zowel horizontaal als vertikaal ongeveer op een derde of tweederde van de foto moet bevinden. Met behulp van Photoshop is de foto achteraf wel exact volgens de Gulden Snede uit te snijden.

 

Een voorbeeld van "mooie" verhoudingen ziet u in de bijgaande afbeelding. Een ervaren schilder of fotograaf zal de horizon meestal niet midden in beeld plaatsen, maar bij voorkeur een stuk daarboven of daaronder. Ook zal het hoofdmotief bij een dergelijke landschapsfoto als regel niet in het midden staan.

 

Beeldsensors

In dit gedeelte over sensors strooien we even met flink technische termen. U heeft in elk geval drie manieren om uw "grijze cellen" te sparen. U leest het even door en ontdekt dat het voor u "gesneden koek" is, of u denkt: "Het zal wel", of u slaat dit gedeelte over.

CCD / CMOS / Foveon
CMOS sensor

CMOS sensors (Complementary MetalOxide Semiconductor) zijn eenvoudiger en goedkoper te produceren. Ook verbruiken ze minder stroom dan een CCD. Toch wordt de CCD tegenwoordig nog veel toegepast, omdat tot voor kort de kwaliteit, duurzaamheid en betrouwbaarheid beduidend hoger was dan van CMOS-sensors. De laatste jaren is de CMOS echter sterk in opkomst en wordt zelfs gebruikt in digitale spiegelreflexcamera's (Canon). Reden is de sterk verbeterde beeldkwaliteit, vooral wat betreft de hoeveelheid ruis. Van de CCD en CMOS zijn diverse varianten op de markt. Zo maakt Fuji een eigen SuperCCD en voegt Sony een extra kleurfilter toe op een van de pixels. Foveon heeft een CMOS ontwikkeld, waarbij elke pixel drie kleuren kan zien i.p.v. één, en ook Nikon zit niet stil op dit gebied (JFET LBCAST). Bovendien zien we bij DSLRs steeds vaker een "full frame" sensor met hetzelfde formaat als een gewoon 35mm negatief.

SuperCCD (Fuji)

In tegenstelling tot een CCD, die uit vierkante pixels in een rechthoekige matrix is opgebouwd, heeft de SuperCCD van Fuji achthoekige (octogonale) fotocellen die onder een hoek van 45 graden ten opzichte van. elkaar geplaatst zijn. Hierdoor zouden de gevoeligheid en het dynamisch bereik worden verhoogd. Ook de signaal-ruisverhouding is volgens Fuji veel beter en volgens hen levert de SuperCCD meer heldere en verzadigde kleuren.

diasuperccd.gif

Door deze andere schikking van de fotocellen wordt ook het oppervalk van de sensor beter benut en door de hogere dichtheid kunnen de fotocellen 50% groter zijn dan conventionele cellen en zo kan een hogere resolutie bereikt worden. Fuji stelt dat met al deze verbeteringen een bijna twee keer zo hoge resolutie gehaald kan worden en zo produceert een SuperCCD van 3 miljoen pixels dan foto's van 3000 bij 2000 pixels (6Mp) in plaats van de gebruikelijke 2048 bij 1536 pixels. Al deze beloftes zijn echter in de praktijk nog niet 100% door onafhankelijke tests bevestigd. Omdat het menselijk oog beter informatie kan onderscheiden in horizontale en verticale richting, verhoogt de plaatsing van de fotocellen onder 45 graden in een SuperCCD, de resolutie in horizontale en verticale richting. Om deze reden zouden foto genomen met Fuji's SuperCCD prettiger zijn voor het menselijk oog om naar te kijken.

JFET LBCAST (Nikon)

De door Nikon ontwikkelde LBCAST (Lateral Buried Charge Accumulator and Sensing Transistor) vertegenwoordigt een nieuw concept in beelddsensoren. Vergeleken met CCD of CMOS sensoren kent hij een snellere leestijd, hogere gevoeligheid, betere kleurweergave en lager stroomverbruik.

dianikon.jpg

De JFET LBCAST sensor is vergelijkbaar met een CMOS in de manier waarop de elektrische lading doorgegeven wordt aan de processor. De data kunnen echter veel sneller doorgegeven worden, omdat het signaal uitgelezen wordt via twee aparte kanalen die per kleur gescheiden zijn. Het Groene signaal wordt via één kanaal geleid terwijl het Rode en Blauwe signaal via het andere kanaal gaan. De reden om een apart kanaal toe te wijzen aan Groen is, omdat het menselijk oog het meest gevoelig is voor groen, en het groene kanaal dus het belangrijkste is voor het bepalen van het contrast en de scherpte (dit is ook waarom het RGB kleurfilter meestal wordt toegepast in de verhouding 1:2:1). De JFET versterker die in de LBCAST gebruikt wordt (Junction Field Effect Transistor, die het signaal van elke pixel versterkt voordat het doorgestuurd wordt), heeft een eenvoudiger structuur dan die van een CMOS sensor, met slechts drie transistors en minder lagen, waardoor de efficiency en de optische afstemming met de cameralens verbeterd worden.

Batterijen

Gebruiksduur van de batterijen

Hoe meer foto’s u maakt, hoe sneller de batterijen uitgeput raken. Gebruikt u uw digitale camera tamelijk veel, dan moet u zeker batterijen aanschaffen die intrinsiek over een hoge capaciteit beschikken, bijvoorbeeld alkalinebatterijen of NiMH-batterijen. Ook kunt u aan oplaadbare lithiumbatterijen denken. Anderzijds putten het gebruik van flitser, LCD-monitor of zoomlens de batterijen sneller uit dan normaal gebruik van de camera. Uw uitgaven aan nieuwe batterijen kunt u aanzienlijk terugdringen door deze mogelijkheden spaarzaam te gebruiken.

Digitale camera's gebruiken 'veel' stroom om alle taken (o.a. scherpstellen, zoomen, flitsen en LCD-scherm) te kunnen uitvoeren. Het gebruik van oplaadbare batterijen is dan ook aan te raden. In aanschaf zijn oplaadbare batterijen (inclusief oplader) wel veel duurder dan gewone batterijen, maar deze investering verdient zich snel terug. Veel oplaadbare batterijen hebben 3 maal zoveel vermogen, gaan ruim 10 jaar mee, kennen geen oplaadgeheugeneffect (hoeven niet geheel leeg te zijn bij de volgende oplaadbeurt) en presteren ook goed bij lage temperaturen.
Het vermogen van batterijen wordt uitgedrukt in milliampere-uur (mAh). Hoe hoger deze waarde (bv. 1800 tot 2200 mAh) des te langer de stroomvoorziening. De bekendste oplaadbare batterijen zijn naast Lithium Ion NikkelCadmium (NiCd) en NikkelMetaalHydride (NiMH), waarvan het type NiMH de beste specificaties heeft. Alle oplaadbare batterijen lopen leeg als ze niet worden gebruikt. Bij langdurig niet gebruiken van de camera is het verstandig de batterijen te verwijderen. Dat is zeker het geval voor gewone alkaline batterijen, die kunnen gaan lekken. Wat voor batterijen u ook gebruikt, een reserveset in uw tas is zeker aan te raden.

Wat gebeurt er met digitale beelden als de camera lange tijd niet wordt gebruikt? Niets eigenlijk. De opnamen blijven op het geheugenkaartje opgeslagen. Ook als de capaciteit van de batterijen vermindert, hoeft bij de meeste hedendaagse camera’s niet voor verlies van foto’s te worden gevreesd. De flash-memory opslagtechniek (Flash ROM) staat er borg voor dat de beelden permanent opgeslagen blijven. Maar net zoals u ooit werd geadviseerd, belangrijke informatie niet op diskettes op te slaan, moet u ook uw onvervangbare beelden op de harde schijf van de computer opslaan. En nog beter is het dat u uw foto’s overzet op een medium dat een veilige vorm van opslag biedt, namelijk op een magneto-optische schijf of op een CD. Om er voor te zorgen dat u altijd snel foto’s kunt maken, doet u er goed aan de batterijen regelmatig te controleren (bijvoorbeeld eenmaal per maand). Met de batterijcontrolefunctie, standaard in elke goede digitale camera aanwezig, is dat eenvoudig te doen. Is uw digitale camera voorzien van een datum en tijd-functie, dan hoeft u zich geen zorgen te maken dat deze informatie verloren gaat als u de batterij verwisselt. De meeste digitale camera’s beschikken over een energiebuffer die bescherming biedt tegen verlies van de geheugeninhoud. Bevat de camera een back-up batterij die u tegen onaangename verrassingen moet beschermen, dan moet u die periodiek vervangen volgens de aanwijzingen van de fabrikant.

Dat moet u dan wel doen nadat u de hoofdbatterij hebt vervangen.
Batterijen - de valkuilen

Omdat de batterijen het kloppend hart zijn van uw digitale camera, is het nuttig enkele 'valkuilen' nader te belichten.
Weggooi of alkaline batterijen moeten uit uw camera verwijderd worden als u de camera langere tijd niet gebruikt, aangezien ze corrosieve chemicalien kunnen gaan lekken. U moet ook geen alkaline en oplaadbare batterijen tegelijk gebruiken, omdat beschadigde electrische contacten uw camera onherstelbaar kunnen beschadigen. Lithium batterijen en NiCd of NiMH batterijen kunnen niet lekken en mogen in de camera blijven zitten. Dat helpt ook tegen het leeglopen van de kleine back-up batterij, die zorgdraagt voor het onthouden van datum en tijd. Als u de camera langere tijd niet gebruikt, dan is het verstandig de NiMH-batterijen maandelijks even op te laden. Dit voorkomt schade door een volledige ontlading.
In tegenstelling tot NiMH-batterijen, lijden NiCd batterijen aan een "geheugen effect" en moeten volledig ontladen zijn alvorens weer op te laden. Ze "onthouden" namelijk de laatste stand "leeg" en verliezen zo capaciteit. Het "geheugen effect" van NiCd wordt echter niet door iedereen onderschreven.
Omdat batterijen schadelijke stoffen bevatten, moet u ze niet kapot maken of verbranden en afvoeren via de daarvoor geëigende kanalen.

Batterij (snel)opladers

Alvorens over het opladen van batterijen te beginnen, eerst een waarschuwing. Probeer NOOIT gewone batterijen op te laden. Ze zullen oververhit raken en zelfs exploderen.
Er zijn twee soorten batterij-opladers: snel en langzaam. In tegenstelling tot wat mensen denken, verkorten snelle opladers de levensduur van de batterijen niet. Dit is eerder een gevolg van overladen, wat nogal eens optreedt met goedkope laders, die een vaste tijd opladen.
De meeste 'intelligente' laders stoppen met laden als de batterijen vol zijn. U kunt de oplaadtijd ook zelf berekenen door de capaciteit van de batterij te delen door de oplaadsnelheid van de lader en deze tijd te verhogen met 20%.
Sommige opladers (Smart Chargers) houden temperatuur, tijd en oplaadstroom in de gaten, zodat de batterijen niet overladen zullen worden. Druppelopladen (Trickle charging) - waarbij de batterijen met 10% van de maximale capaciteit worden geladen - wordt door de meeste fabrikanmten niet aanbevolen. Het is beter om de batterijen volledig op te laden en ze op een koude plaats, zoals een koelkast, te bewaren. Ze behouden hun lading dan gedurende enkele maanden. Voordat u ze gaat gebruiken, moet u ze dan echter wel weer op kamertemperatuur laten komen.

Batterij levensduur

Digitale camera's verbruiken veel stroom, dus batterijen. Vooral Alkaline batterijen zijn in een korte tijd leeg. Nieuwere types Alkaline hebben meer vermogen, maar niet meer dan 30%. Alkaline batterijen zijn bedoeld om hun volle capaciteit te leveren bij lage stroomafname. Omdat digitale camera's constant veel stroom verbruiken, zijn ze dus snel leeg. Lithium batterijen zijn meer geschikt in digitale camera's, maar zijn aanzienlijk duurder en niet oplaadbaar.
Verwar de genoemde lithium batterijen niet met de oplaadbare Lithion-Ion batterijen. Een betere keus voor veel stroom eisende apparaten als digitale camera's zijn oplaadbare NiMH of NiCd batterijen. Een nadeel van NiMH's is dat ze leeglopen als ze niet worden gebruikt en wel 40% per maand. Als u ze goed droog afgesloten in een koelkast bewaart, dan is dit 'leegloopeffect' beduidend minder. U moet ze voor gebruik wel weer even op temperatuur laten komen.
De grootste stroomverbruiker aan een digitale camera is het LCD scherm, waarop u uw foto's kunt terugzien en menu's kunt instellen. Als u het schermpje in het geheel niet gebruikt, duurt het 5 keer zo lang voordat uw batterij leeg is. Om batterijen te sparen kunt u beter na de opname uw foto's bekijken.

Diafragma

Om de term diafragma te begrijpen kunt u dit het best vergelijken met het menselijk oog. Hoe minder licht des te groter de opening van de pupil, terwijl de pupil kleiner wordt bij veel licht. Het diafragma van een camera, uitgedrukt in f-stops, doet precies hetzelfde door de hoeveelheid licht te controleren die op de CCD valt. Lagere f-stop waarden (b.v. f 2.8) vergroten de lensopening en laten meer licht toe tot de CCD, terwijl hogere f-stop waarden (f 16 of f 22) de hoeveelheid opvallend licht beperken door de lensopening te verkleinen. Bij vergroten van het diafragma met één stop, wordt de hoeveelheid licht die op de CCD valt verdubbeld. Bij een gegeven belichting zijn diafragma en sluitertijd aan elkaar gekoppeld. Als je de sluitertijd verkleint, zal de diafragma-opening groter worden en andersom.

diafragma.gif

 

 

De diafragma-opening bepaalt ook de scherptediepte. Bij een kleinere opening (b.v. f 22) zal de foto over een groot gebied scherp zijn. Bij f 2,8 zal het onderwerp waarop scherpgesteld is ook echt scherp zijn, terwijl vlak ervoor en erachter onscherpte ontstaat. De scherptediepte van groothoeklenzen (f<35 mm) is groter dan van telelenzen (f> 85mm).

Diafragma - de valkuilen
letop.png

Hoge waardes van diafragma (16 of 22) geven een kleine lensopening (klein diafragma) en lage waardes (2,8 of 4) een grote lensopening (groot diafragma).

Hoe kleiner het diafragama, des te groter is de scherptediepte. U moet wel weten dat de scherptediepte loopt van 1/3 voor het focuspunt tot 2/3 erachter. Dus als u op oneindig scherpstelt verliest u eigenlijk 2/3 van de scherptediepte. Focussen op een punt dat ligt voor oneindig bij een klein diafragma geeft de maximale scherptediepte. Dit noemen we hyperfocal focusing.

Diafragma op oneindig

Dit doet u als volgt: u stelt scherp op 2/3 van oneindig en kijkt wat voor diafragma erbij hoort. Bij dit diafragma richt u vervolgens de camera op oneindig voordat u de foto neemt. Nu zal alles scherp zijn, van voorgrond tot oneindig. Hierbij moet u er op letten dat u niet het grootste of het kleinste diafagma van de lens kiest omdat lenzen niet hun optimale kwaliteit laten zien bij hun uiterste instelwaarden. Het kan zijn dat er optische foutjes zichtbaar worden bij die waarden. Kies dus een gemiddelde waarde voor een optimale kwaliteit.
Onder slechte lichtomstandigheden, geven volledig geautomatiseerde camera's de voorkeur aan korte sluitertijden en grote diafragma's voor een juiste belichting. De scherptediepte zal dan minimaal zijn.

Het is niet bij elke camera mogelijk het diafragma handmatig in te stellen. In de belichtingsmodus Auto of Program (P) kiest de camera bij de gemeten belichting automatisch een vaste combinatie van diafragma en sluitertijd. Dit is geschikt voor algemene situaties, maar soms is het gewenst of noodzakelijk het diafragma zelf te kiezen.

Bij bijvoorbeeld landschapsfotografie, waarbij de foto over het gehele bereik scherp moet zijn (grote scherptediepte), moet het diafragma f 16 of f 22 zijn. Doet u dit in de modus Diafragmavoorkeur (Av), dan wordt automatisch de juiste sluitertijd gekozen. Bij volledige handbediening (M) moet u zelf een geschikte sluitertijd kiezen.
Als u uw onderwerp wilt isoleren van de achtergrond, zoals bij portretfotografie, dan moet u een grote diafragma-opening gebruiken van f 2,8 (kleine scherptediepte). Het onderwerp is dan scherp, terwijl de achtergrond wazig zal zijn. Het effect van een kleine scherptediepte bij f 2,8 zal bij telelenzen (f>85mm) sterker zijn dan bij groothoeklenzen (f<35mm).
Wanneer u macrofoto's maakt, zult u moeten kiezen voor een klein diafragma (f 16 of f 22) om een zo groot mogelijke scherptediepte te verkrijgen..

De scherptediepte (DOF: Depth Of Field) is het gebied in een foto dat scherp oogt. Bij een grote scherptediepte is een foto vanaf de voorgrond tot de horizon scherp. De scherptediepte strekt zich uit van 1/3 voor het scherpstelpunt tot 2/3 erachter. Drie factoren bepalen de scherptediepte:

Bij een kleinere diafragma-opening wordt minder licht toegelaten tot de CCD, maar neemt het gebied waarover de foto scherp is, toe. Hoe kleiner het diafragma (f 16 of f 22) des te groter de scherptediepte.
Brandpuntsafstand lens
Bij een bepaald diafragma zal, bij een korte brandpuntsafstand van de lens (f<35mm, groothoeklens) de scherptediepte groter zijn dan bij een lens met een lange brandpunt (f>85mm, telelens). Een 28mm lens bij f 8 heeft dus een veel groter scherptegebied dan een 300mm lens bij hetzelfde diafragma.
Voorwerpsafstand
Hoe kleiner de afstand van de camera tot het voorwerp, zoals bij macro-fotografie, des te kleiner de scherptediepte.

Kleurconcepten

Het menselijk oog registreert kleuren met drie soorten kegelvormige cellen van het netvlies, die gevoelig zijn voor rood, groen en blauw licht. De informatie die we zien, wordt door onze hersenen omgezet naar het volledige kleurenspectrum. De beeldsensor van een digitale camera (CCD, CMOS) werkt op een soortgelijke manier. De sensor bestaat uit afzonderlijke beeldpunten, die ook gevoelig zijn voor de drie primaire kleuren Rood, Groen en Blauw (RGB), waaruit het gehele beeld wordt opgebouwd. Dit principe wordt het additieve kleursysteem genoemd, omdat de drie kleuren bij elkaar "opgeteld" de kleur wit vormen. Dit in tegenstelling tot het subtractieve kleursysteem van kleurenprinters, waarbij kleuren worden gevormd door Cyaan, Magenta en Yellow (CMY) te onttrekken aan wit licht.

basiskleuren

 

 

De afzonderlijke beeldpunten van de sensor zijn gevoelig voor 256 gradaties van lichtintensiteit en kunnen per beeldpunt door een filtertje slechts één kleur 'zien'. De lichtintensiteit per gradatie per kleur kan men zien in het histogram. De sensor bestaat uit een regelmatig patroon van rode, groene en blauwe beeldpunten en door middel van een ingewikkeld rekenschema wordt hieruit een basisbeeld opgebouwd van maximaal 16.7 miljoen kleuren (256x256x256 = 24 bits). Vanuit dit 'oer'-beeld worden nog diverse correcties toegepast om onder andere de witbalans aan te passen, waarna de definitieve foto wordt opgeslagen op de geheugenkaart.

Kleurconcepten - de valkuilen

Niets is simpeler dan het gebuik van filters. Schroef er één voor uw lens en u bent op weg naar de winnende foto. Of toch niet?
Natuurlijk kunt u altijd een skylight of UV-filter voor uw lens gebruiken ter bescherming. Gebruik nooit twee filters over elkaar heen, omdat dit kan leiden tot ongewenste effecten in de foto. Kijk in uw LCD scherm of dit inderdaad het geval is.

 

Er zijn heel veel filters verkrijgbaar voor zwartwitfilm. Ze zijn bedoeld voor het verhogen van het contrast en variëren van geel en oranje tot groen en rood. Ze zijn echter niet geschikt voor kleurenfotografie. Het gebruik van een polarisatiefilter bij groothoek of grote luchtoppervlakken kan leiden tot een ongelijkmatige polarisatie, waarbij sommige delen donkerder worden dan andere. Probeer verschillende instellingen uit voor het beste resultaat. Gebruik bij autofocus camera's een circulair polarisatiefilter in plaats van een lineair. U voorkomt hiermee dat het autofocus- en lichtmeetsysteem wordt misleid. Als u een verlooptintfilter gebruikt, zorg dan dat het diafragma niet kleiner wordt dan f 16 omdat anders de scheidingslijn van het filter zichtbaar wordt. Bij grotere diafragma-openingen (zoals f 4 of f 2,8) is dat niet het geval.

Filters

In de jaren 80 waren filters die paarse en bruine luchten maakten erg in trek, net zoals ster- en regenboogfilters. Tegenwoordig is de toepassing van dit soort filters meer gematigd. Om uw lens te beschermen kunt u permanent een skylight of UV-filter gebruiken. Ze reduceren ietwat een blauwe waas in foto's op strand of in de bergen. Opwarm- en Soft focus filters kunnen gebruikt worden voor romantische portret- of landschapsfoto's. Dit effect kan echter ook eenvoudig in de digitale "donkere kamer" bereikt worden. Polarisatie- en grijsverloopfilters bewijzen vaak het meeste nut.

diafilter.gif

 

Een polarisatie­filter vermindert reflecties op glanzende oppervlaktes, maakt kleuren meer verzadigd en maakt het blauw van luchten dieper. De mate van polarisatie­reductie is afhankelijk van de hoek van het filter tot lens en belichting. Ze werken het best in zonnige omstandigheden.
Grijsverloopfilters voorkomen dat de lucht overbelicht wordt ten opzicht van de voorgrond. Om een natuurlijk effect te krijgen moet het grijsverloop samenvallen met de horizon. Vierkante filtersystemen, zoals van Lee of Cokin, bieden de mogelijkheid om de plaats van het verloop te varieren tot de gewenste hoogte.

Gamma instellingen

Als u foto's op uw monitor bekijkt met het doel om ze vervolgens af te drukken, moet u zeker zijn dat uw monitor de juiste gamma instelling heeft. Als uw monitor niet goed afgesteld is, dan zal de afdruk niet overeenkomen met wat u op het scherm ziet. De beeldsensor van een digitale camera is een lineair apparaat, wat wil zeggen dat verdubbeling van het invoersignaal (=belichting) een verdubbeling betekent van het uitvoersignaal. Een beeldscherm van een computer is echter niet lineair, waardoor een digitale foto donkerder oogt met verlies van detail in de donkere partijen en lichte kleuren juist extra licht overkomen. Om dit te voorkomen wordt het invoersignaal elektronisch gecorrigeerd, zodat donkere gebieden worden versterkt en lichte gebieden afgezwakt. Dit proces wordt Gamma-correctie genoemd en zorgt ervoor dat de monitor het lineaire signaal van de digitale camera kan verwerken.
Om de kleuren van uw digitale foto's natuurgetrouw te reproduceren op uw beeldscherm, kunt u software gebruiken bijgevoegd bij uw videokaart of programma's als Adobe Gamma geleverd bij Adobe Photoshop. Als u niet de beschikking hebt over de genoemde software, dan kunt u uw instellingen controleren door op de afbeelding te klikken aan de bovenzijde van dit venster.

Histogram

Een histogram toont hoe de 256 mogelijke gradaties van helderheid zijn verdeeld in een afbeelding. Dit is te vergelijken met een horizontale lijn met 256 posities die overeenkomen met alle gradaties van helderheid van zuiver zwart (0) tot zuiver wit (255) aan de rechterkant. Pixels met dezelfde helderheid worden gesommeerd op de vertikale as. Hoe hoger de lijn, des te meer pixels met een gelijke helderheid. Een histogram kan laten zien of er genoeg detail is in schaduw-, middentonen- en hogelichtengebieden van een foto. Een afbeelding die het gehele dynamische bereik van de camera gebruikt zal een gelijkmatige verdeling hebben over alle helderheidniveaus.

Dit YouTube filmpje legt de theorie over het histogram uit aan de hand van enkele voorbeelden.

 

diahistogram.gif

Een foto met een laag contrast zal een smalle basis hebben met een hoge concentratie in de middentonen. Bij veel contrast zal het zwaartepunt meer bij de donkere en lichte gebieden liggen. RGB-afbeeldingen hebben voor elke kleur (kanaal) een eigen histogram. In het software programma Photoshop kunt u met de optie “levels” de tonen aanpassen in schaduw en hoge lichten. Door de driehoekjes van de horizontale as naar links of recht te verschuiven kan de helderheid van de verschillende gebieden van de afbeelding worden aangepast zonder dat ze elkaar beïnvloeden of dat detail verloren gaat. Als u even geduld heeft, ziet u het histogram van de afbeelding - en daarmee de afbeelding zelf - veranderen.

Witbalans

Elke keer als een digitale camera een foto neemt moet een witpunt worden berekend, waarop het percentage van elke kleur wordt gebaseerd. Omdat dit beïnvloed wordt door de kwaliteit van het licht bij de opname, hebben de meeste cameras de mogelijkheid om een witbalans in te stellen. In de Auto modus, bepalen complexe berekeningen wat het witpunt is. Dit gebeurt meestal vrij nauwkeurig, maar leidt bij bewolkte omstandigheden vaak tot foto's met een blauwe kleurzweem.

diawitbalans.gif

 

De witbalansmodus Incandescent (Gloeilamp) of Tungsten (Wolfraam) moet u gebruiken voor opnames binnen zonder flits. Dit past de witbalans aan wanneer het onderwerp belicht is door gloeilampen, zoals die in huis worden gebruikt. Als u echter de warme uitstraling wilt behouden, dan moet u de witbalans niet corrigeren. Gebruik de modus Fluorescent (Fluorescerend) als u bij TL-licht fotografeert. Omdat er verschillende kleuren TL-lampen zijn, hebt u vaak ook meerdere Fluorescent-modi. Soms kunt u ook de witbalans handmatig instellen, zodat u exact het witpunt kunt aangeven. Een witte kaart of vel papier dient dan als referentie bij de betreffende lichtkleuromstandigheden.

Aansluiten op PC of MAC

De term aansluiting heeft betrekking op hoe de digitale camera verbonden is met de PC, om foto's over te zetten of de camera op afstand te bedienen. De laatste jaren zijn de download-snelheden flink gestegen. Van een zeer trage RS232 verbinding in de jaren negentig (230Kbits/sec) tot USB 1.0 en Firewire verbindingen in de 21e eeuw. De standaard verbinding is nu USB 2.0 met snelheden tot 480 Mbits/sec bij de Hi-Speed versie.

dia-aansluiten.gif

 

De voordelen van USB en Firewire zijn dat ze 'hot swappable' zijn: aansluiten kan zonder de camera of de PC uit te zetten en het apparaat wordt direct herkend - meestal als aparte verwisselbare schijf. De foto's op de camera kunnen vervolgens gewoon geopend worden net zoals andere bestanden op de harde schijf.
De nieuwste trends op dit gebied zijn Bluetooth of WiFi verbindingen, waarbij er geen kabels meer nodig zijn en er draadloos gefotografeerd of geprint kan worden, of bestanden draadloos verstuurd kunnen worden naar PC of Mac. Het is zelfs mogelijk om verbinding te maken met een telefoonnetwerk en foto’s te versturen of mailen, zoals dat ook al gebeurt met telefoons met ingebouwde camera. Verbindingsnelheden zullen blijven stijgen en binnen enkele jaren zullen snelheden tot 1Gbits/sec heel gewoon zijn.

Afstand tot voorwerp en soort lens

De manier waarop we voorwerpen zien in een afbeelding is afhankelijk van de afstand tot het voorwerp en de lens die we gebruiken. Met een 50mm lens, gelijkwaardig aan 50mm op een analoge kleinbeeldcamera (ook wel 35mm camera genoemd) ervaren we een natuurlijk perspectief. De waargenomen afstand tussen de verschillende voorwerpen blijft zoals we ook met onze ogen zouden waarnemen.

diavoorwerpafstand.gif

 

 

Groothoeklenzen verwijden het gezichtsveld, waarbij voorwerpen op de voorgrond verder uit elkaar lijken te staan dan werkelijk het geval is en de achtergrond lijkt verder weg dan in werkelijkheid. Telelenzen vernauwen het gezichtsveld (beeldhoek) en voorwerpen lijken dichter bij elkaar te staan dan werkelijk het geval is. De achtergrond wordt naar voren getrokken en lijkt dichter bij het hoofdonderwerp dan we met onze eigen ogen zien. Hoe groter de brandpuntsafstand, des te sterker dit effect. Dit wordt ook wel plat perspectief genoemd. Telelenzen hebben een beperkte scherptediepte bij kleinere diafragma-openingen, waardoor de achtergrond vaag kan worden. Dit fenomeen kan gebruikt worden om het onderwerp te isoleren van de achtergrond, waardoor het meer nadruk krijgt.

Voorwerpsafstand - de valkuilen

Omdat de brandpuntsafstand van lenzen effect heeft op het waargenomen gezichtsveld, is het belangrijk om te weten welke brandpuntsafstand u moet gebruiken bij de verschillende onderwerpen. Bij landschapsfotografie wilt u het liefst zoveel mogelijk van het landschap laten zien. Een groothoeklens is hiervoor erg geschikt. Vanwege het verwijden van de voorgrond door dergelijke lenzen, moet u dan wel zorgen voor een interessant onderwerp op de voorgrond, om een 'lege' foto te vermijden. Voor portretfotografie kunt u beter geen groothoeklens gebruiken, omdat bepaalde gelaatstrekken uit het verband worden gerukt met als gevolg grote neus en mond. Ook zal mogelijke tonvervorming de randen van de afbeelding sterk naar buiten doen buigen. Houd uw model dus in het midden van de compositie en maak de voorwerpsafstand niet te klein. Bij tele-opnames kan de aanwezige heiigheid of mist de visuele scherpte van de foto negatief beïnvloeden. Een skylight filter vermindert dit effect. Ook kunt u de foto vroeg in de ochtend nemen voordat de zon de bodem heeft opgewarmd. Houd rekening met de beperkte scherptediepte van telelenzen. Bij een lens met een grote brandpunstafstand en een voorwerp op slechts 5 meter is de scherptediepte minder dan 10 centimeter.

Digitale zoom - een digitale bonus

In tegenstelling tot optische zoom (de vergroting van het beeld door verlenging van de brandpuntsafstand van de lens) vergroot de digitale zoom het beeld door simpelweg een uitsnede uit het oorspronkelijke beeld te maken of een beeldgedeelte door interpolatie softwarematig te vergroten tot het originele pixelformaat van de beeldsensor.

diazoom.gif

 

Met de multi megapixel camera's van vandaag heeft u voor een goed resultaat niet altijd de maximale resolutie nodig. Bij het digitaal inzoomen op een 10-megapixel beeld blijft er misschien een 4 of 5-megapixel foto over, die goed op A4 formaat kan worden afgedrukt zonder zichtbaar kwaliteitsverlies. Een bijkomend voordeel is dat de belichting gebaseerd is op de betreffende uitsnede en mogelijk beter is dan wanneer het volledige beeld gemeten zou worden. Bovendien - met een overvloed aan megapixels, kan digitale zoom een grotere zoom factor bereiken dan met het optische systeem mogelijk zou zijn, terwijl de bestandsgrootte kleiner is omdat u slechts een gedeelte van de foto opslaat.

Hoewel u het effect van digitaal zoomen ook achteraf kunt bereiken in een beeldbewerkingsprogramma als Adobe Photoshop, kan digitale zoom uitkomst bieden omdat het tijd bespaart bij het nabewerken van de foto.

Groothoeklenzen

Met groothoeklenzen bedoelen we lenzen met een brandpunts afstand korter dan 50mm. Ze variëren van super groothoek van ongeveer 17mm tot de standaard groothoek van 35mm. De laatste komt waarschijnlijk het meest voor op digitale camera's. Deze lens is uitermate geschikt voor algemeen gebruik. Niet alleen voor landschapsfotografie is een groothoeklens dé lens, maar ook in beperkte ruimtes waar u niet ver genoeg naar achter kunt staan om alles 'op de foto' te krijgen.

dialens.gif

 

Groothoeklenzen genereren een grote scherptediepte en scherp stellen is dus niet zo kritisch. Eén van de voordelen is dat een groothoeklens uw perspectief vergroot. Voorwerpen die zich op korte afstand van de lens bevinden, lijken groter, terwijl dingen op grotere afstand zich uitstrekken in de verte. Dit effect wordt vergroot naarmate de beeldhoek van de lens groter is. Het gebruik van een groothoeklens kan leiden tot vervorming. Als u de camera achterover kantelt bij het fotograferen van een hoog gebouw, kunnen de verticale lijnen naar één punt lopen waardoor het lijkt alsof het gebouw omvalt. Juist omdat u zoveel in beeld kunt krijgen met een groothoeklens moet u de compositie van de foto niet uit het oog verliezen. Het gevaar bestaat namelijk dat u anders “lege” foto's maakt. Door iets van de voorgrond mee te fotograferen creëert u een gevoel van diepte.

Macro modus

Normaal gesproken wordt met macro fotografie bedoeld dat het onderwerp groter dan 1op 1 wordt weergegeven, meer dan levensgroot dus. Dit kan vergeleken worden met het kijken door een vergrootglas. Bij een digitale camera echter wil de macro modus zeggen dat u van heel dichtbij een voorwerp kunt fotograferen, zonder dat dat 1 op 1 is. Met sommige camera's kunt u dus heel dichtbij het onderwerp komen, terwijl andere camera's de zoomfunctie gebruiken om een macro opname te maken. Er zijn een paar zaken waar u op moet letten voor het maken van een goede macrofoto. Bij macro fotografie luistert het scherpstellen erg nauw. Op zulke korte afstanden is de scherptediepte immers zeer gering. Camera en object moeten in één lijn geplaatst worden bij een klein diafragma. Het gevolg hiervan is dat de sluitertijd langer zal zijn, daarom moet de camera stabiel staan, bijvoorbeeld op een statief.
Ook het gebruik van de zelfontspanner is een nuttig hulpmiddel ter voorkoming van bewegingsonscherpte. Het gebruik van een standaard flitser kan beter vermeden worden omdat die hard licht geeft en vaak zorgt voor overbelichting. Beter kunt u fotograferen bij daglicht. Een raam op het noorden op een bewolkte dag geeft zacht egaal licht, terwijl een stuk wit karton de schaduwen kan oplichten of als invul-reflector kan dienen.

Optische zoom

Zoomlenzen op digitale camera's werken ongeveer hetzelfde als op camcorders. Er zijn twee knopjes. Eén om in te zoomen, waardoor de brandpuntsafstand vergroot wordt en de beeldhoek kleiner, en één om uit te zoomen. Bij dit tweede knopje wordt de beeldhoek vergroot. De optische zoom is een 'echte' zoom die gebruik maakt van de gehele CCD. De digitale zoom is echter slechts een uitvergroting van een gedeelte van de CCD.

Optische zoomlenzen van digitale camera's zijn meestal niet verwisselbaar en u moet dus een camera kiezen die past bij uw soort fotografie. Zoomlenzen van digitale camera's hebben meestal een bereik variërend van 35 tot 70mm. Soms wordt dat standaard zoom genoemd. Sommige camera's hebben echter een bereik van 28 tot 135 mm. Daarmee heeft u een veel grotere flexibiliteit.

Eén van de grootste voordelen van een zoomlens is dat u uw gezichtsveld kunt veranderen zonder van standpunt te hoeven veranderen. Dat is vooral handig als u niet genoeg ruimte heeft om naar achteren te gaan terwijl u wel 'alles' op de foto wilt krijgen of als u snel wilt reageren op een fotogenieke situatie en u in wilt zoomen of wanneer u actie wilt isoleren van z'n achtergrond.

Telelenzen

Met telelenzen bedoelen we lenzen met een brandpuntsafstand groter dan 50mm. Ze variëren van kort, 70mm, tot heel lang, meer dan 500mm. Deze laatsten worden bijvoorbeeld gebruikt om actie vast te leggen bij sportevenementen.
Met een telelens kunt u zover inzoomen op uw object, dat u één enkel detail zichtbaar kunt maken en het kunt isoleren van zijn omgeving. Daarmee maakt u hele indrukwekkende composities.

Een ander voordeel van een telelens is dat juist door z'n beperkte scherptediepte de achtergrond uit het zicht blijft. Want hoe groter de brandpuntsafstand en hoe groter het diafragma des te kleiner is de scherptediepte. Daaruit volgt dat scherpstellen met een telelens kritisch moet gebeuren, want er is niet veel ruimte voor fouten. Een lange telelens met een maximaal diafragma geeft maar een paar centimeter scherptediepte op een voorwerp dat 5 meter van u verwijderd is. In tegenstelling tot groothoeklenzen, die veel perspectief geven, comprimeren telelenzen juist de ruimte waardoor objecten ogenschijnlijk dichter bij elkaar zijn dan ze werkelijk zijn. Bij gebruik van een telelens is het vooral belangrijk dat u de camera stil houdt, omdat de bewegingsonscherpte toeneemt als de lens langer wordt. Regel is dat de sluitertijd equivalent moet zijn met de brandpuntsafstand, maar liefst nog iets korter.

Digitale aspecten

Digitale zoom - de telelens van de arme fotograaf

In tegenstelling tot de meer geavanceerde digitale zoom, waarbij een uitsnede wordt geïnterpoleerd tot de maximale resolutie van de camera, tonen de simpelste camera's de centrale uitsnede zonder interpolatie als een volledig schermkader. Het lijkt of inderdaad ingezoomd is, maar als vergrotingen van 13 bij 18 cm worden gemaakt zal ruis op de afdruk te zien zijn zoals de korrel van een conventionele film. Wilt u een goede fotokwaliteit gebruik dan nooit een dergelijk type digitale zoom. Ze wordt slechts gebruikt als marketing misleiding. U gooit met digitale zoom een deel van uw foto weg en dat kunt u later niet herstellen.

Digitaal zoomen kunt u beter doen in een fotobewerkingsprogramma zoals Adobe Photoshop, Photoshop Elements of Paintshop Pro. Hierin hebt u veel meer flexibiliteit. De camera kan alleen een centrale uitsnede maken, terwijl u in bijvoorbeeld Photoshop elk deel van de foto kunt uitsnijden. Ook de interpolatie zal beter worden uitgevoerd, waardoor het eindresultaat waarschijnlijk beter zal zijn dan bij gebruik van de digitale zoom van de eenvoudige camera.

Beeldstabilisatie

Cameratrilling is een van de belangrijkste redenen voor onscherpe foto's. Niet elke fotograaf kan de camera stil houden bij langere sluitertijden. Om cameratrilling te voorkomen kunt u de regel hanteren om de sluitertijd niet kleiner te maken dan de brandpuntsafstand van de lens. Bij f=300 moet uw sluitertijd dus maximaal 1/300s zijn en kunt u bij 1/125s bewegings onscherpte verwachten. Bij een groothoeklens met f=24 kunt u nog scherp fotograferen bij 1/25s. Om trilling te voorkomen wordt in duurdere tele(zoom)lenzen gebruik gemaakt van een optie genaamd beeldstabilisatie. Canon introduceerde bij haar 300mm lens het IS-systeem. Nikon volgde voor haar lenzen met het VR-systeem.

diastabilisatie.gif

 

 

Beeldstabilisatie voorkomt cameratrilling door gebruik te maken van zwevende lenzen, die de beweging van de fotograaf compenseren. Gyro sensoren (sneldraaiende wieltjes) zorgen voor de juiste stabilisatie en orientatie. Beweerd wordt dat met het beeldstabilisatiesysteem actief voor foto's uit de hand de sluitertijd met 2 maal kan worden verlengd t.o.v. de bovengenoemde brandpunt=sluitertijd regel. Het systeem heeft bij digitale videocamera's al geruime tijd bewezen effectief te zijn. Inmiddels voeren ook fabrikanten van digitale foto camera's, zoals Sony, Olympus en Minolta, beeldstabilisatie als bijzondere specificatie op.

Brandpuntsverlenging

Of lenzen worden gerangschikt onder groothoek of tele, wordt bepaald door de beeldhoek, afhankelijk van de brandpuntsafstand van de lens. Omdat vroeger vooral 35mm lenzen gebruikt werden, is men gewend aan deze terminologie, een 28mm is een groothoek en een 400mm is een telelens.

diabrandpunt.gif

 

Hoewel sommige professionele DSLR camera’s een “full frame” sensor hebben, zijn de meeste sensors van digitale compacts veel kleiner dan het 35mm-formaat. Om toch een vergelijking te kunnen maken tussen de verschillende digitale lenzen gebruiken we vaak de kleinbeeldequivalent – dus de brandpuntsafstand voor een 35mm lens met dezelfde beeldhoek als de digitale lens. Als 35mm SLR-lenzen gebruikt worden op een digitale SLR dient men rekening te houden met het sensorformaat. Een sensor die kleiner is dan 24x36mm resulteert in een kleinere beeldhoek en dus een schijnbaar grotere brandpuntsafstand dan op de lens aangegeven. De illustratie toont het beeldgebied van een 200mm lens gebruikt met resp. een 35mm SLR, een Pentax, *ist Ds en een Olympus E300. Het beeld wordt bijgesneden met respectievelijk een factor 1.5 en 2.0.

Ruisvermindering technieken

Digitale foto's kunnen veel ruis bevatten door visuele verstoringen ten gevolge van electronische fouten van de sensor. Bij lange sluitertijden, hogere ISO-waarden en hogere temperaturen kan ruis de kop opsteken. Hierbij wordt vooral het blauwkanaal beinvloed. De beeldsensor is namelijk minder gevoelig voor deze kleur en om dat te compenseren wordt het signaal extra versterkt. Ook JPEG-compressie kan ruis versterken.

diaruis.gif

 

 

Om ruis te verminderen hebben sommige bedrijven plug-in filters ontwikkeld voor Photoshop, terwijl sommige digitale camera's een ingebouwde ruisvermindering hebben. Bij belichting langer dan 2 seconden kan ruis als vaste kleurvlekjes zichtbaar worden. Een methode om dit soort ruis te verwijderen is de volgende: neem vóór het nemen van de werkelijke foto, een foto van een donker kader met dezelfde sluitertijd en trek dit van de originele afbeelding af om zo de kleurvlekjes te vervangen. Open hiertoe in Photoshop de twee beelden en plak de donkere laag als tweede laag. Pas een geringe mate van Gaussiaanse vervanging toe en wijzig de Laag Optie naar Verschil (Difference). De kleurvlekjes worden bijna onzichtbaar en de foto wordt aanzienlijke beter van kwaliteit.

Verscherping & verzachting

In de conventionele fotografie is een foto of scherp of onscherp. Daar is niet veel aan te doen. In digitale fotografie zijn er verschillende mogelijkheden om een foto scherper of zachter te maken door randdetail te verhogen of juist te verminderen. Zo worden grenzen tussen donkere en lichte delen van de foto meer of minder opvallend. Raw beelden van een digitale camera zijn vaak erg 'zacht'. Sommige digitale camera's passen daarop een ingebouwde verscherping toe, ook om de effecten van interpolatie tegen te gaan.
Omdat de interne verscherping redelijk beperkt is, kunnen trapjes of artifacts meer zichtbaar worden. Het is daarom verstandiger om de verscherping uit te voeren op uw PC. Onscherp masker is dan het aangewezen gereedschap, omdat het zeer nauwkeurig met een breed scala aan parameters de verscherping kan uitvoeren. Hebt u geen mogelijkheid om Raw-foto's te maken of geen scherpte filter in uw software, dan moet u de verscherping door de digitale camera laten doen. Niet elk onderwerp vereist een optimale scherpte en sommige voorwerpen mogen enigszins zacht blijven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan portretfoto's. Ook bij het samenvoegen van vrijstaande lagen met de achtergrond of met andere afbeeldingen is het verstandig de randen te verzachten, zodat de overgang minder zichtbaar wordt.

Witbalans

Elke keer als een digitale camera een foto neemt moet een witpunt worden berekend, waarop het percentage van elke kleur wordt gebaseerd. Omdat dit beïnvloed wordt door de kwaliteit van het licht bij de opname, hebben de meeste cameras de mogelijkheid om een witbalans in te stellen. In de Auto modus, bepalen complexe berekeningen wat het witpunt is. Dit gebeurt meestal vrij nauwkeurig, maar leidt bij bewolkte omstandigheden vaak tot foto's met een blauwe kleurzweem. De witbalansmodus Incandescent (Gloeilamp) of Tungsten (Wolfraam) moet u gebruiken voor opnames binnen zonder flits. Dit past de witbalans aan wanneer het onderwerp belicht is door gloeilampen, zoals die in huis worden gebruikt. Als u echter de warme uitstraling wilt behouden, dan moet u de witbalans niet corrigeren. Gebruik de modus Fluorescent (Fluorescerend) als u bij TL-licht fotografeert. Omdat er verschillende kleuren TL-lampen zijn, hebt u vaak ook meerdere Fluorescent-modi. Soms kunt u ook de witbalans handmatig instellen, zodat u exact het witpunt kunt aangeven. Een witte kaart of vel papier dient dan als referentie bij de betreffende lichtkleuromstandigheden.

Belichting

De hoeveelheid licht die op beeldsensor of film valt wordt de belichting genoemd. Opname-media verschillen in gevoeligheid voor licht, maar om een goed belichte foto op te nemen, hebben ze een specifieke hoeveelheid licht nodig bij een bepaalde gevoeligheid (ISO-waarde bij film). Te weinig licht veroorzaakt onderbelichte foto. Bij teveel licht is de foto overbelicht. De benodigde belichtingswaarde (Exposure Value, EV) wordt bepaald door een combinatie van gevoeligheid of ISO, het diafragma van de lens en de gebruikte sluitertijd. Bij een perfecte belichting is er zowel in de donkere delen van de foto als in de lichtste delen nog detail zichtbaar.

diabelichting.gif

 

 

De meeste digitale camera's berekenen automatisch de beste belichting voor een evenwichtige foto, maar als u brgijpt hoe dit gebeurt kunt u zelf corrigeren. Belichtings meters meten de totale hoeveelheid licht die wordt teruggekaatst door het gehele onderwerp. Deze hoeveelheid wordt gezien als 18% grijs en hierop wordt de belichting gebaseerd. Voor een onderwerp met veel middentonen is dit de meest ideale belichting. Is de compositie echter veel donkerder of lichter, dan zal de foto respectievelijk over- en onderbelicht worden. U moet dan kiezen welk deel van de foto belangrijk is en daarop de belichting aanpassen.

Belichting - de valkuilen

De moderne digitale camera is zo geavanceerd, dat het haast onmogelijk lijkt een foto slecht te belichten. Er zijn echter nog steeds lichtomstandigheden, waarbij zelfs de beste lichtmeting in de problemen komt. Denk hierbij aan betrokken luchten, sneeuwlandschappen of donkere voorwerpen tegen een donkere achtergrond. In die situaties moet u de belichting handmatig uitvoeren om een goede opname te maken.

diabelichting2.gif

 

Als u fotografeert met tegenlicht zoals bij zonsondergang, bij van achter belichte portretten of bij landschappen tegen de zon in, zullen alle voorwerpen als silhouet worden getoond ten gevolge van de helderheid van de achtergrond. Dit levert soms verbazingwekkende resultaten op, maar als u wilt dat het onderwerp toch goed belicht is, dan zult u de belichting moeten verhogen met een derde stop of meer, afhankelijk van de helderheid van de achtergrond. U kunt ook automatisch belichten (ontspanner half indrukken) op het voorwerp of op een middelgrijs onderwerp en vervolgens de gewenste compositie kiezen. Voor een van achter belicht portret kunt u ook proberen om een invulflits te gebruiiken, dan krijgt u een mooie lichtrand rond het model. Ook een donkere achtergrond met een klein verlicht voorwerp kan problemen opleveren, zoals bijvoorbeeld een zanger op toneel in een spotlicht. Belicht hier op een niet-direct verlicht deel van de compostie en maak een trapje van een stop meer en minder.

Belichtingswaarde (EV)

De Belichtingswaarde (Exposure value) heeft betrekking op de hoeveelheid licht bij een gegeven belichting en wordt uitgedrukt in een enkel getal. Hieruit wordt bij een bepaalde ISO-waarde van de sensor de juiste combinatie berekend van sluitertijd en diafragma.

Uitgangspunt - EV 0 - is een sluitertijd van 1 seconde bij f/1. Zo resulteert EV 13 bij ISO 100 in een combinatie van 1/125s en f/8 of 1/60s en f/11. Elke combinatie van sluitertijd en diafragma bij een bepaalde EV zorgt voor een juiste belichting, maar beïnvloedt wel de scherptediepte en de kans op bewegingsonscherpte. Een 1 stop langere sluitertijd bij een 1 stop kleinere diafragma-opening, laat de belichting ongewijzigd, maar levert een grotere scherptediepte en meer kans op bewegingsonscherpte.

De meeste digitale camera's berekenen op basis van de belichtingswaarde automatisch de meeste geschikte combinatie van sluitertijd en diafragma. Met de optie belichtingscompensatie kunt bepaalde situaties onder- of overbelichten. Bij meer professionele digitale camera's kunt u de belichting ook handmatig instellen.

Auto Bracketing (reeksopname)

Een automatische reeksopname (Auto bracketing) is een goede manier om verzekerd te zijn van een goede belichting bij moeilijke lichtomstandigheden. De camera neemt dan een serie van 2 tot 5 opnames, waarbij de belichting gevarieerd wordt met 1/3 tot 2 stops onder en boven de gemeten waarde.

diabracketing.gif

 

U hoeft alleen maar een reeksopname (trapje) te maken, als de lichtmeting misleid kan worden door overheersende lichte of donkere onderwerpen in de compositie of wanneer het dynamisch bereik van de camera ontoereikend is. Een goed voorbeeld voor het maken van een reeksopname is een nachtfoto van een gebouw verlicht door spotlichten. Deze situatie heeft een hoog contrastverschil. Neem een paar foto's die onder- of overbelicht zijn ten opzicht van de voorgestelde belichting en kies daaruit de beste foto. Is uw camera niet in staat om automatisch een reeksopname te maken, dan kunt u dit ook handmatig doen door zelf de sluitertijd of het diafragma een halve of hele stop te verhogen of te verlagen. Drie tot vijf foto's leveren meestal wel een goed belichte foto op. Ook is het nu mogelijk om de foto's in de digitale doka te combineren tot de meest optimale belichting.

Belichting compensatie

Lichtmeters kunnen geen kleur waarnemen. Ze brengen elke situatie terug tot 18% grijs en baseren daar de belichting op. Voor het merendeel van de lichtsituaties is dit principe toereikend voor een goede belichting, maar bij veel donkere of lichte partijen in de compositie, is dit geen correcte benadering.

diabelichting3.gif

 

Om deze situaties goed te belichten hebben de meeste digitale camera's de mogelijkheid de standaard belichting te verhogen of te verlagen met maximaal 2 stops in stapjes van 1/2 of 1/3. Deze functie heet belichtingscompensatie (Exposure Compensation) met de eenheid EV. Bij betrokken luchten, sneeuw- en strandfoto's moet deze de waarde +1 of +2 EV hebben om onderbelichting te voorkomen (grijze sneeuw). Donker gebladerte of een zwarte kat in een donker steegje zullen door de belichtings meter als grijs worden beschouwd en u moet dus compenseren met -1 of -2 EV. Regel: EV verhogen als onderwerp veel wit bevat. EV verlagen als onderwerp donker is. De belichtingscompensatie kan ook gebruikt worden voor creatieve doeleinden. Een stormachtige lucht kunt u benadrukken door een 1/2 stop onder te belichten (EV=-1/2). Sommige portretten worden met +1/2 EV feeëriek helder. De beste manier om de (on)mogelijkheden te leren kennen van de belichtingscompensatie is door zelf veel te experimenteren.

Dynamisch bereik

Het dynamisch bereik is de hoeveelheid detail dat zichtbaar is tussen de lichtste delen en de schaduwen in een foto. Een compositie met veel zonlicht en diepe schaduwen heeft een groot dynamisch bereik. Sommige camera's verlagen in deze situaties het contrast om het dynamisch bereik binnen die van de grenzen van de camera te laten vallen. Geen enkele camera en zelfs niet het menselijk oog is echter in staat om het dynamisch bereik van de realiteit te overbruggen en u zult compromissen moeten sluiten.

diabereik.gif

 

Het dynamisch bereik van een digitale camera is afhankelijk van de gevoeligheid van de beeldsensor en de bouw van de processor. Een kleurenfilmpje heeft een dynamisch bereik van 5 stops, terwijl een zwartwitfilm 9 stops kan overbruggen. Het bereik van een beeldsensor ligt hier tussenin. Is het dynamisch bereik van de compositie groter dan van de camera, dan moet u kiezen welk deel van de foto belangrijk is en detail moet hebben. U kunt de belichting baseren op de hoge lichten of juist op de schaduw, zodat dat gebied juist belicht is. Dit is mogelijk door gebruik te maken van de Belichtingsvergrendeling (Exposure Lock) op uw camera. Een andere mogelijkheid is om met een invulflits de schaduwen op te lichten en het contrast te verlagen.

Handmatige sluitertijd instellen

Met het handmatig instellen van de sluitertijd bepaalt u zelf hoeveel beweging u wilt zien van uw onderwerp of camera. Als u uw (bewegend) onderwerp wilt 'bevriezen' of benadrukken, dan is de keuze van de juiste sluitertijd afhankelijk van de snelheid van het onderwerp, de richting t.o.v. de camera en hoe groot het is in de zoeker.

diasluitertijd.jpg

 

Iemand die aan het joggen is naar de camera toe kunt u fotograferen met 1/60s, terwijl u voor een Formule 1 wagen haaks op de camera een sluitertijd van 1/2000 tot 1/1000s nodig hebt voor 'bevroren' onderwerp. Als u beweging wilt benadrukken kunt u de camera meebewegen (meetrekken) met het bewegende onderwerp, terwijl u de ontspankop ingedrukt houdt. Dit resulteert in een relatief scherp onderwerp met een vage, gestreepte achtergrond. Probeer dit zelf uit en neem veel foto's met langere sluitertijden om het 'meetrekken' in de vingers te krijgen. Volledige stilstand van het onderwerp is niet altijd gewenst. Bij stromend water levert een korte sluitertijd een glasachtig resultaat op, maar bij een lange sluitertijd wordt het wateroppervlak haast 'hemels' glad. Een belangrijke sluitertijd is tenslotte nog B (bulb). In deze stand blijft de sluiter van de camera geopend zolang u de ontspanner ingedrukt houdt. Hiermee kunt u dus extreem lange sluitertijden verkrijgen.

ISO Gevoeligheid

ISO is een internationale standaard ter aanduiding van de film gevoeligheid. Ook bij digitale fotografie wordt de term gebruikt om de gevoeligheid van de beeldsensor aan te geven.Het verdubbelen van de gevoeligheid van de sensor of film is een verdubbeling van de ISO-waarde. Een ISO 200 sensor is dus twee keer zo gevoelig als een ISO 100 sensor.
De ISO-waarde bepaalt het belichtingsbereik van de camera, omdat op basis van de ingestelde gevoeligheid de sluitertijd en het diafragma worden berekend

diagevoelig.gif

 

Hoe lager de ISO-waarde, des te 'langzamer' de sensor. Dit betekent dat een 100 ISO sensor een langere sluitertijd, dan wel een grotere diafragma-opening nodig heeft dan een ISO 200 sensor. De meeste consumenten camera's hebben een ISO-waarde van 100 tot 400, sommige professionele digitale camera's hebben sensoren met een maximaal bereik van 1600 tot zelfs 3200 ISO. Dit kan vergeleken worden met het opwaarderen van gewone film. Als film wordt 'opgewaardeerd' dan wordt de korrel van de gevoelige laag meer zichtbaar. Ook bij beeldsensors veroorzaakt dit pixelvorming en kleurverschuiving, wat zichtbaar wordt als ruis in de afbeelding. De techniek om de gevoeligheid van sensoren te verhogen wordt voortdurend verbeterd en bij 800 ISO is bij sommige camera's al geen kwaliteitverlies door ruis meer zichtbaar.

Lichtmeting methodes

Lichtmeters in moderne camera's zijn intelligent genoeg om automatisch de juiste belichting te berekenen. Alle lichtmeters werken met het principe van gereflecteerd licht van een onderwerp. De belangrijkste methodes zijn: bij Nadruk op midden berekent de meting de belichting op basis van de gehele compositie, maar geeft daarbij het centrum een hogere prioriteit. Voor gemiddelde omstandigheden is deze methode heel bruikbaar, maar extreem lichte of donkere onderwerpen kunnen de belichting verstoren.

dialichtmeting.gif

 

Bij Spotmeting is de berekening uitsluitend gebaseerd op het onderwerp in het centrum van de beeldzoeker en is dus geschikt voor het fotograferen van een onderwerp met een hele lichte of donkere achtergrond. Bij Matrixmeting wordt de foto in kleine segmenten verdeeld en wordt op basis van de afzonderlijke waarden een optimale belichting bepaald. In de meeste situaties is dit opvallend nauwkeurig. Hoewel de automatische lichtmeting in 95% van de gevallen tot een juiste belichting komt, moet u soms deze meting negeren. Hebt u veel donkere of lichte gebieden in uw foto, dan moet de meting baseren op een onderwerp in uw compostie met een gemiddelde grijswaarde, zoals groen gras of een blauwe lucht, de belichting vastzetten en opnieuw de compositie kaderen.

Opnamemodus

Koop een digitale camera en u wordt overspoeld met het aantal belichtingsvoorkeuren. Standaard wordt meestal het volledig automatisch programma gebruikt, waarbij de camera ISO, diafragma en sluitertijd kiest.

 

De 'automaat' is ideaal voor beginners, maar wilt u meer controle en creativiteit, dan kunt u beter een ander belichtingsprogramma of opnamemodus kiezen. Enkele voorbeelden zijn de Landschapsmodus waarbij een diafragma gekozen wordt van f/11 of f/16 voor een grote scherptediepte. In de Portretmodus wordt juist een groot diafragma (f/2.8) ingesteld om de achtergrond wazig te maken, waardoor de aandact op het model valt. In de Actie- of Sportmodus wordt een korte sluitertijd ingesteld om beweging te bevriezen. In de Nachtmodus wordt een invulflits gecombineerd met een lange belichting om ook de achtergrond te belichten. Bij de Close-upmodus wordt een gemiddeld diafragma ingesteld met een korte sluitertijd om onscherpte door cameratrilling te voorkomen. Andere modi zijn nog Zonsondergang, Strand en Feest. Behalve deze automatische programma's kennen sommige camera's ook een sluitertijd- of een diafragmavoorkeur. Sluitertijd en diafragma zijn de twee belangrijkste bedieningsfuncties om de belichting te regelen. Om er bekend mee te raken en hun invloed te leren kennen, is veel experimenteren de beste leerschool.

Sluiter techniek

Lang geleden regelde de fotograaf de belichting door de lensdop van de lens te halen. Doordat film steeds gevoeliger werd, moesten de sluitertijden steeds korter worden de sluiter meer geavanceerd worden. Met de huidige sluiters kan de belichtingstijd nauwkeurig worden geregeld.

diasluiter.gif

 

Een centraalsluiter werkt als een soort iris. Overlappende bladen van de sluiter gaan kort moment open en vervolgens weer dicht. Centraalsluiters zijn gesynchroniseerd met flitsers bij alle sluitertijden. Een spleetsluiter bestaat uit twee niet-doorschijnende 'gordijnen'. Het eerste gordijn blokkeert de lichtdoorgang. Tijdens de duur van de belichting schuift het eerste gordijn weg en sluit het tweede gordijn de opening naar de film of sensor weer af. Maximale flitssynchronisatie wordt bereikt op het moment dat de gordijnen geheel open zijn. Dit is vaak bij 1/25 of 1/60s. Bij kortere sluitertijden is de sluiteropening slechts een bewegende spleet en wordt alleen dat deel van de sensor of film belicht dat niet afgedekt is. Hoewel digitale camera's vaak mechanische sluiters gebruiken, hebben sommige modellen een CCD sluiter. Hierbij wordt de belichtingstijd bepaalt door de activatietijd van de sensor. Dit systeem is geheel elektronisch, zonder mechanische onderdelen en derhalve zeer precies en betrouwbaar.

Bestandsformaten

Gedurende de jaren dat digitaal beeld bestaat, zijn er steeds meer bestandstypes ontwikkeld om beeld op te slaan. De meeste van deze bestandsformaten zijn specifiek bedoeld voor een bepaald beeldbewerkings programma en kunnen niet uitgewisseld worden met andere programma's. De meesten hadden slechts een kort leven en werden vervangen door algemene formaten die wel platformcompatibel zijn. De bekendste beeldbewerkingsprogramma's kunnen nu verschillende bestandsformaten openen en eventueel in een ander formaat opslaan.

Er bestaan twee methodes om grafisch beeld op een computer te beschrijven: met pixels (bitmaps) en met vectoren. Belangrijk voor de digitale fotografie zijn de de bitmaps. Bitmaps zijn opgebouwd uit een rooster van gekleurde puntjes, ook wel pixels genoemd. Het aantal pixels bepaalt de grootte van de afbeelding waarin deze kan worden afgedrukt of op het scherm getoond. Omdat de manier om een bitmap te beschrijven leidt tot grote bestanden, zijn er methodes ontwikkeld om deze bestanden gecomprimeerd op te slaan. De bekendste hiervan zijn JPEG en TIFF, waarover later meer.

BMP / RAW bestandsformaten

Elke digitale foto is een bitmap (BMP), een rooster van aangrenzende pixels. Door flink in te zoomen in een fotobewerkings programma kunt u deze pixels eenvoudig zichtbaar maken. Tezamen vormen deze pixels een ogenschijnlijk haarscherpe en vloeiende afbeelding. Het aantal pixels bepaalt de grootte van de afbeelding waarin deze kan worden afgedrukt of op het scherm getoond. Omdat bitmaps zorgen voor grote bestanden bij het opslaan, zijn er andere bestandsformaten die bitmaps comprimeren voor opslag. Sommige digitale camera's hebben de mogelijkheid om beelden direct van de CCD op te slaan als niet-gecomprimeerd bestand. Canon introduceerde dit bestandsformaat en het wordt RAW genoemd. Op deze bestanden zijn in de camera nog geen berekeningen uitgevoerd t.a.v. kleur, ruis en scherpte. Dit kan dan na downloaden gebeuren op de computer. Voordeel is dat RAW-bestanden kleiner zijn, sneller achter elkaar foto's genomen kunnen worden en dat de kwaliteit optimaal is, omdat de data niet gecomprimeerd is. RAW wordt ook wel het digitale negatief genoemd. Nadeel van RAW is dat beeldbewerkingsprogramma's ze niet kunnen openen zonder een zogenaamde plug-in en dat iedere fabrikant een eigen RAW formaat ontwikkeld heeft.

TIFF / GIF bestandsformaten

Het Tagged Image File Format (TIFF) is een flexibel bestandsformaat voor foto's en ontwikkeld door Aldus Corporation om beelden op te slaan van scanners en fotobewerkingsprogramma's. Het gebruikt 8 tot 16 bits per kleurkanaal en bij opslaan gaat geen informatie verloren. Nadeel is dat de bestanden zeer groot zijn. Voor een 3-megapixel camera nemen TIFF-bestanden 9 MB in op uw geheugenkaart. Voor TIFF bestanden bestaan verschillende soorten verliesloze compressie, die echter niet algemeen bruikbaar zijn in de verschillende software. Het LZW (Lempel-Ziv-Welch) algoritme is het meest bekend.

Het GIF formaat (Graphics Interchange Format) ondersteunt slechts 256 kleuren uit het palet van 16,7 miljoen (24-bits). Deze kleuren worden opgeslagen in een index. Het gebruikt de LZW verliesloze compressie zoals bij TIFF-bestanden. Deze compressie is echter wel gestandaardiseerd en algemeen compatibel in alle software. Omdat GIF veel contrast en fijn detail kan beschrijven is het zeer geschikt voor schermpresentatie (internet) van lijnafbeeldingen als strips, logo's en tekst, maar minder voor foto's.

JPEG / GIF bestandsformaat

Het JPEG formaat (Joint Photographic Experts Group) ondersteunt 24-bits kleur en kan in alle software gebruikt worden dankzij de standaardisatie van de ingebouwde compressie. Omdat de compressie speciaal ontwikkeld is voor het opslaan en versturen van digitale foto's wordt een aanzienlijke reductie van de bestandsgrootte verkregen. JPEG gebruikt een 'lossy' compressie schema, waarbij pixels in blokken van 8x8 worden gemiddeld, zodat het aantal kleuren van de originele afbeelding wordt gereduceerd. De mate van compressie kan door de gebruiker worden ingesteld. Is deze compressiefactor te hoog of worden beelden te vaak met een verschillende factor geopend en weer opgeslagen, dan gaat dit gepaard met zichtbaar kwaliteitsverlies.
Het GIF formaat (Graphics Interchange Format) is in 1987 ontwikkeld door Compuserve en ondersteunt slechts 256 kleuren uit het palet van 16,7 miljoen (24-bits). Deze kleuren worden opgeslagen in een index. Het gebruikt een 'lossless' compressie waarbij dus, behalve de kleurbeperking, geen kwaliteit verloren gaat. GIF gaat beter met veel contrast en fijn detail om dan JPEG en is derhalve zeer geschikt voor lijnafbeeldingen als strips, logo's en tekst, maar minder voor foto's. JPEG en GIF zijn de meest gebruikte bestandsformaten op het internet.

DPOF / EXIF bestandsformaten

DPOF (Digital Print Order Format) is een bestandsformaat dat de mogelijkheid biedt om foto's direct van de geheugenkaart in een bepaald aantal en een zeker formaat af te drukken.

De benodigde informatie wordt via een speciaal menu op de camera opgegeven en wordt opgeslagen in een set van tekstbestanden in een speciale map op de geheugenkaart. Dit DPOF-bestand kan uitgelezen worden in een afdruk centrale of een geschikte fotoprinter.

Het EXIF (Exchangeable Image File) formaat wordt gebruikt door bijna alle digitale camera's om gegevens op te slaan met uitgebreide informatie en instellingen van de camera, zoals onder andere datum en tijd, ISO-waarde, sluitertijd en diafragma. De EXIF gegevens worden in de kop van het JPEG-bestand geplaatst en kunnen met software die EXIF ondersteund, zoals beeldbewerkingsprogramma's en webbrowsers, worden uitgelezen. Het EXIF formaat maakt gebruik van sRGB als kleurruimte.

Windows Media Photo

WMPhoto oftewel Windows Media Photo is een bestandsformaat met hoge compressie dat in 2006 door Microsoft werd ontwikkeld als onderdeel van de Windows Media Familie. Volgens Microsoft levert het nieuwe formaat een zichtbaar betere kwaliteit dan JPEG (met minder artefacten) bij een bestandsgrootte die meer dan de helft kleiner is. WMP gebruikt een "slimme" compressie techniek die toegepast kan worden met of zonder kwaliteitsverlies, omdat het mogelijk is slechts een gedeelte van een groot fotobestand te comprimeren en zo het bestand te verkleinen. Deze nieuwe benadering van compressie, kleurruimte en kleurconversie is uiterst flexibel, omdat het proces volledig omkeerbaar is. Alle kleurbewerkingen gebeuren namelijk op basis van een interne kleurreferentie. WMP gebruikt een TIFF-achtig bestand om beeldinformatie op te slaan. Het ondersteunt monochroom, RGB en CMYK en kan eventueel een ICC kleurprofiel bevatten, voor een constante kleurweergave op verschillende apparaten. Er is ruimte voor een alphakanaal en ook EXIF en XMP data worden ondersteund. Roteren, bijsnijden en verkleinen gebeurt zonder dat eerst het hele beeld gedecodeerd moet worden. Windows Media Photo bestanden hebben een WDP bestandsextensie.

Video bestandformaten

MPEG1, is het oorspronkelijke videoformaat voor Cd-rom's en VideoCD's en ondersteunt 24-bits kleur en CD-kwaliteit geluid. Het werd opgevolgd door MPEG2 - de standaard voor DVD films - inmiddels vervangen door MPEG4, dat ook de oudere formaten ondersteund. Het produceert hoge kwaliteit video en slaat de bestanden gecomprimeerd op.
AVI (Audio Video Interleave) ontwikkeld door Microsoft, is een populair videoformaat maar is van relatief lage kwaliteit.
Quicktime van Apple is in staat om video, audio en digitale foto's op te slaan. Het ondersteunt de meeste formaten, zoals JPEG en MPEG. Quicktime ondersteund ook virtual reality en 3D. Voor gebruik in een webbrowser is een (gratis) plug-in nodig.
RealVideo is een zogenaamd 'streaming' formaat, hetgeen betekent dat de gecomprimeerde bestanden al afgespeeld kunnen worden tijdens het downloaden. Het ondersteund formaten van derden, zoals AVI, WAV, MIDI en MPEG. Net zoals is een plug-in nodig voor downloaden en afspelen in een webbrowser. De meeste digitale camera's hebben de mogelijkheid om bewegend beeld met geluid op te nemen. De lengte van een filmpje is meestal beperkt tot de hoeveelheid ruimte op de geheugenkaart.

Flitsers

De meest voor de hand liggende en bruikbare vorm van licht is natuurlijk het gewone daglicht. Het is overal om ons heen, hoewel de kwaliteit verschillend kan zijn afhankelijk van het tijdstip van de dag en de stand van de zon.

De middagzon is nogal blauw en maakt een harde, donkere schaduw, omdat het licht recht boven ons staat. Ochtend -en avondlicht is veel warmer van kleur en door de lage stand van de zon is de schaduw lang en meer vervaagd. De hoeveelheid licht is op die momenten echter niet altijd toereikend voor een goede belichting en in zo'n geval moet u kunstlicht gebruiken. De interne flitser van uw camera is daarvoor de eerst aangewezen optie. Hoewel het bereik van een dergelijke flitser vaak beperkt is tot 3 à 4 meter kunt u het toch gebruiken als een invul flits als aanvulling op het aanwezige licht en als oplichting van donkere schaduw partijen.

In de studio hebt u studio flitsers die gebruikt worden door professionele fotografen. Dit zijn grote flits-eenheden met een zeer hoog richtgetal. Ze zijn bijzonder veelzijdig inzetbaar en nauwkeurig regelbaar per 1/2 stop over een groot gebied.

Belichting - de valkuilen

De meeste interne flitsers hebben te weinig vermogen om voorwerpen op meer dan 3 à 4 meter goed te belichten. In dat soort gevallen heeft u een sterkere en geavanceerde flitser nodig. Deze regelt automatisch de hoeveelheid flitslicht afhankelijk van het gebruikte diafragma. Wacht bij gebruik van flitsers altijd tot het OK-lampje brandt, anders zal de flits niet afgaan als u de ontspanner indrukt en controleer het voltage van oudere flitsers voor gebruik. Interne flitsers zijn vaak te dicht bij de lens geplaatst en veroorzaken daardoor rode ogen als de gefotografeerde persoon recht in de lens kijkt. Door de persoon weg te laten kijken van de lens of meer licht in de kamer aan te doen waardoor de pupil vernauwt, kan dit voorkomen worden. Bovendien hebben sommige camera’s de mogelijkheid rode ogen achteraf in de camera te corrigeren. Zet de persoon niet te dicht voor een achtergrond en niet in de buurt van spiegels of ramen, omdat u dan harde schaduwen en ongewenste reflecties krijgt. Een flitser gebruiken bij concerten of evenementen in grote hallen of stadions is nutteloos. Zelfs krachtige flitsers hebben een maximaal bereik van 10 tot 15 meter en daarmee bereikt u nooit de acteurs en muzikanten op het toneel. Probeer derhalve dichterbij te komen of ondersteun de camera en gebruik langere sluitertijden.

Flitsmodus

Veel digitale camera's hebben verschillende flitsmodi. Normaal staat deze in de stand automaat. In deze modus laat de camera de flits afgaan afhankelijk van de benodigde hoeveelheid licht. Het licht is hard en geeft een sterk (over)belicht onderwerp met een donkere achtergrond. In de modus "altijd aan" flitst de flitser altijd, ongeacht de belichtingssituatie. Bij de stand "altijd uit" zal de flitser nooit flitsen en kunt u de foto nemen met het beschikbare licht. In de modus Rode ogen geeft de flitser voor de hoofdflits enkele kleine flitsjes, waardoor de pupil van de betreffende persoon vernauwd en het licht van de hoofdflits minder kans heeft terug te kaatsen van de binnenzijde (retina) van het oog. Deze methode werkt niet altijd voldoende en is soms erg hinderlijk voor het model. Beter is om indirect te flitsen of het model van de camera weg te laten kijken. Dat geeft tevens een meer natuurlijk aanzicht. De slow synch of invul modus is het meest veelzijdig. De camera kiest dan een sluitertijd op basis van het omgevingslicht plus een kleine dosis om de voorgrond te verlichten. De foto is dan goed in balans, waarbij zowel het onderwerp op de voorgrond als de achtergrond goed belicht zijn. De invul-modus is ook erg geschikt om op een zonnige dag harde schaduwen op te lichten.

Speciale flitsers

Behalve de interne flits eenheid van de camera, zijn er allerlei andere soorten flitsers. Het meest gebruikte type is een externe flitser die u op de flitsschoen van uw digitale camera kunt plaatsen. U hebt dan een groter flitsbereik dan met de interne flits. Een externe flitser heeft vaak een sensor, die de hoeveelheid licht meet, die benodigd is voor een juiste belichting. Als u geen flitsschoentje op uw camera heeft kunt u ook werken met een zogenaamde 'slave'-flitser, die automatisch afgaat als een andere (interne) flitser in de omgeving flitst. Let op dat de 'slave' niet te vroeg afgaat, omdat een flitser van een digitale camera vaak twee keer flitst. Eerst voor het bepalen van de witbalans en kleurinstellingen en vervolgens als de sluiter openstaat. Een ringflitser zit rond het uiteinde van de lens van de camera en geeft van alle kanten licht op een klein onderwerp zonder harde schaduwen. Ze worden gebruikt bij mode- en reclame-fotografie, maar ze bewijzen vooral hun nut bij macro-fotografie. Studioflitsers zijn grote flitslichten voor studio- en locatiegebruik, die werken op netspanning. Ze hebben een variabel vermogen en kunnen uitgerust worden met diverse accessoires, zoals softboxen, paraplu's of 'scharnierkleppen' om het licht te verzachten. Studioflitsers hebben een kleurtemperatuur, die exact 5500 Kelvin is, zoals op een zonnige middag waardoor ze geen kleurzweem veroorzaken.

Scherpstelling

Een van de meest in het oog springende kenmerken van een foto is de scherpte. Het oog wordt direct getrokken naar het scherpe deel van de foto. Bijna alle digitale camera's hebben een automatische scherpstelling (auto focus).

diascherpstelling.jpg

 

Actieve autofocus systemen zenden een infrarood signaal uit en berekenen de afstand uit het teruggekaatste signaal. Passieve autofocus bepaalt de afstand tot het onderwerp op basis van licht en contrast van het voorwerp. Uiteraard moet het onderwerp zich in de zoeker bevinden, waarna u de ontspanner half indrukt om scherp te stellen. Behalve door de nauwkeurigheid van scherpstellen, wordt de scherpte van de foto ook bepaalt door beweging van camera of onderwerp. Dit wordt bewegingsonscherpte genoemd. Beweging van de camera kan worden voorkomen door de camera met arm en lichaam goed te ondersteunen en de ontspanner zachtjes in te drukken. U kunt ook een statief gebruiken. Om het onderwerp scherp in beeld te krijgen kunt u een korte sluitertijd gebruiken om het voorwerp te 'bevriezen'. Hoe langer de brandpuntsafstand des te korter de sluitertijd moet zijn voor een 'onbewogen' foto. Vuistregel: de sluitertijd moet niet langer zijn dan de brandpuntsafstand van de lens. Dus bij f/300 hoort 1/300s of korter (1/500s).

Scherpstelling - de valkuilen

Als u de ontspanner indrukt, berekent de camera de belichting, de witbalans en de scherpstelling. Hiervoor is tijd nodig, ook wel de ontspanvertraging genoemd. Zeker bij actiefoto's is het verstandig de ontspanner eerst half in te drukken, opdat u niet het cruciale moment mist. De ontspanvertraging is bij elke camera verschillend. Bij passieve scherpstelling heeft de camera bij weinig contrast of donkere omstandigheden vaak problemen met de afstandbepaling. Stel dan scherp op een onderwerp op ongeveer gelijke afstand of stel handmatig scherp. Ook horizontale lijnen geven vaak scherpstelproblemen, wat voorkomen kan worden door de camera bij scherpstellen iets scheef te houden. Bij actieve scherpstelling is het niet mogelijk om foto's te nemen door glas, omdat het infrarood door het glas wordt weerkaatst. U moet dan handmatig scherpstellen.
Als het onderwerp buiten het scherpstelgebied van de zoeker is, dan wordt op de achtergrond scherpgesteld en is het onderwerp dus onscherp. Om dit te voorkomen zorgt u dat uw onderwerp in het midden van de zoeker is, waarna u de ontspanner half indrukt, opnieuw de juiste compositie kiest en de foto neemt. Dit is iets om rekening mee te houden wanneer personen of onderwerpen aan de zijkant van de foto staan. Bij sommige camera's is het mogelijk een ander focuspunt te kiezen dan het centrum van de zoeker.

Scherpstel hulplicht

Digitale camera's hebben twee manieren om scherp te stellen. Bij actieve autofocus wordt infrarood licht uitgezonden dat wordt teruggekaatst, waarna de camera hierop kan scherpstellen. Hiermee kunt u scherpstellen zonder dat de persoon die u fotografeert, dit merkt. Infrarood autofocus werkt goed in het donker, maar kan geabsorbeerd worden door een zwart oppervlak of worden gereflecteerd door glas.

diahulplicht.gif

 

Bij passieve autofocus gebeurt het scherpstellen op basis van licht en contrast van het onderwerp. Vooral verticale lijnen zijn goede autofocus elementen. Ontbreken deze en is er ook weinig contrast en licht in uw onderwerp, dan wordt het scherpstellen bemoeilijkt. Is de camera uitgerust met een scherpstel hulplicht (Autofocus Assist Lamp), dan wordt in deze situaties een kleine lichtstraal uitgezonden zodat een raster te zien is op het onderwerp, waarop de camera kan scherpstellen. Het scherpstel hulplicht zit vaak net naast de lens. Nadeel van het hulplicht is dat het slechts een bereik heeft van 4 tot 5 meter. Sommige externe TTL-flitsers zijn uitgerust met een sterker scherpstel hulplicht. Bij sommige camera's werkt het scherpstel hulplicht als rode-ogenreductielampje. Door de uitgezonden lichtstraal vernauwd de pupil en wordt de kans op rode ogen minder.

Menselijke aspecten

Oog en resolutie

Het menselijk oog kan in sommige aspecten vergeleken worden met een camera. Het heeft een lens en een diafragma. Op andere punten is het juist weer heel anders. Een camera heeft namelijk een vlak beeldoppervlak, waarvan de resolutie over het hele focusveld redelijk constant is. Bij het oog is dit niet zo. Ze heeft een bewegingssensor, die horizontaal bijna 180 graden beslaat. Hoewel de resolutie en kleurinformatie van het oog niet geweldig is, kan het oog prima beweging onderscheiden met een groot bereik van contrast. Ze is speciaal uitgerust om snel een aanvaller of een prooi te herkennen.

dia-oog.jpg

 

Dankzij de retina - een dunne laag lichtgevoelige cellen achter in het oog - kunnen we zo 'breed' kijken. Het gebied van het oog met kleurherkenning in hoge resolutie is echter een stuk kleiner dan bovenstaand en is geconcentreerd rond de fovea. Dit is vergelijkbaar met het centrale focuspunt van een lens. Rond de fovea is het oog in staat 7 lijnenparen per millimeter te onderscheiden, wat overeenkomt met 355,6 dpi. Dit is ongeveer de afdruk resolutie benodigd voor hoge kwaliteit fotoprinters.

Oog en kleur

We onderscheiden kleur door twee soorten lichtcellen in de retina van het oog: staafjes en kegeltjes. De eerste zorgen voor zicht in het (schemer)donker de andere functioneren bij meer licht en herkennen kleur. Er zijn drie type kegeltjes, die elk afzonderlijk gevoelig zijn voor Rood, Groen en Blauw. De kleuren die we zien worden samengesteld door de hoeveelheid licht op verschillende plaatsen te combineren.

dia-oog1.gif

 

 

Staafjes zijn zeer gevoelig voor licht, maar herkennen geen kleur. Ze geven alleen een indruk van de lichtintensiteit. De hoge gevoeligheid zorgt ervoor dat we toch vormen kunnen onderscheiden in het (schemer)donker. Onze zenuwen en hersenen verwerken de informatie van de staafjes en de kegeltjes tot een scherp gekleurd beeld. Hoewel het oog vele miljoenen kleuren kan onderscheiden is het per beeld slechts in staat 200.000 verschillende kleuren te onderscheiden. Het bestandsformaat JPEG is ontworpen uitgaande van de beperkingen van het menselijk oog: het aantal kleuren kan behoorlijk worden beperkt, terwijl de helderheidniveaus bijna ongemoeid gelaten worden.

Kijken met uw hersenen

Hoewel onze ogen de belangrijkste gereedschappen zijn om de wereld rondom ons te zien, zijn het de hersenen die - duizelingwekkend snel - het beeld vormen wat we zien. De hersenen vergelijken alle informatie die ze ontvangen, met het model uit voorgaande ervaringen. Zo baseren ze diepte op het feit dat voorwerpen die kleiner zijn of niet geheel scherp, verder weg staan. In combinatie met licht en schaduw en de verschillende beelden van het linker en rechter oog wordt zo een driedimensionaal beeld opgebouwd. Ook wordt ontbrekende informatie door dit ervaringsmodel ingevuld. De hersenen kunnen hierdoor ook gemakkelijk misleid worden. Een bezoekje aan de website Grand Illusions is de moeite waard om een paar fascinerende voorbeelden te bekijken. Het menselijk visueel systeem kan zich ook aanpassen aan wisselende lichtomstandigheden. Zo zou een wit vel papier in het licht van een gloeilamp eigenlijk geel moeten zijn, maar we zullen deze kleur compenseren en de kleur van het papier als wit onderkennen.

Beeldcorrectie

Tonvervorming correctie

Veel camera's met zoom lenzen veroorzaken ton-vervorming (barrel distortion). Vooral bij groothoeklenzen worden beelden bolvormig, met vaak opvallend gebogen lijnen in het randgebied van de foto. Het centrum wordt minder vervormd. Een rechthoekig voorwerp krijgt door dit effect bolle zijden en lijkt op een ouderwetse ton.

diacorrectie.gif<empty>

 

Bij portret- en natuur­fotografie valt het effect nauwelijks op. Bij archi­tectuur- en landschap­fotografie kan de ton­vervorming zeer storend zijn en krijgt u bolle muren en een gekromde horizon. Tonvervorming is een 'lensfout' en keuze van een ander diafragma heeft hierop geen invloed. Sommige camera­fabrikanten leveren software om de tonvervorming te corrigeren, zoals een Photoshop plug-in van Panorama Tools. Hiermee kunt u met geavanceerde algorithmes ton- en kussen­vervorming verwijderen. Pixels worden radiaal verplaatst, waarbij de verplaatsing wordt berekend op basis van de specificaties van de lens. Deze berekening kan dan vervolgens voor correctie van elke foto, gemaakt met de bewuste lens, worden gebruikt.

Kussenvervorming correctie

Als een zoomlens van een digitale camera bij korte brandpunts­afstanden (groothoek) ton­vervorming veroorzaakt, zal waarschijnlijk ook sprake zijn van kussen­vervorming (pincushion distortion) in de tele stand (lange brandpunts­afstand). Het effect is ook weer het meest zichtbaar met rechte lijnen in het randgebied van de foto, die bij kussenvervorming naar binnen gebogen zijn. Een rechthoek krijgt nu de vorm van een kussen. Dit is geen zogenaamde perspectivische vervorming door het kantelen van de camera, maar een echte lensafwijking en daardoor niet te corrigeren met een andere diafragma.

diacorrectie2.gif

 

Bij portret- en natuur­fotografie valt het effect nauwelijks op. Bij architectuur- en landschapfotografie kan de kussenvervorming storend zijn. Vervormde muren en een gekromde horizon kunnen het gevolg zijn. Sommige camerafabrikanten leveren software om de kussenvervorming te corrigeren, zoals een Photoshop plug-in van Panorama Tools. Hiermee kunt u met geavanceerde algorithmes ton- en kussenvervorming verwijderen. Pixels worden radiaal verplaatst, waarbij de verplaatsing wordt berekend op basis van de specificaties van de lens. Deze berekening kan dan vervolgens voor correctie van elke foto, gemaakt met de bewuste lens, worden gebruikt.

Perspectief correctie

De hoeveelheid perspectief in een foto is afhankelijk van de afstand van de camera tot het voorwerp en de brandpuntsafstand van de lens. Perspectief beïnvloedt de waargenomen grootte van voorwerpen en hun onderlinge afstand. Bij groothoek lenzen lijkt de achtergrond veel verder weg ten opzichte van een voorwerp op de voorgrond, dan bij een telelens. Bij groothoek wordt de visuele diepte vergroot, bij telelenzen juist samengedrukt. In beide gevallen is het inschatten van de afstand tussen voorwerpen niet eenvoudig. Door perspectivische vertekening zullen voorwerpen van korte afstand buiten proportioneel zijn. Een portretfoto van dichtbij genomen met een groothoeklens geeft een relatief grote neus t.o.v. de rest van het gezicht. Een paar stappen achteruit en een grotere brandpuntsafstand is hiervoor de oplossing.

diacorrectie3.gif

 

 

Als u gebouwen foto­grafeert en u kantelt de camera, dan ziet u naar elkaar lopende (convergerende) lijnen, omdat het vlak van de beeldsensor niet parallel loopt met het vlak van de gevel. Als u niet op een hoger standpunt kunt gaan staan, zult u de perspectivische vervorming moeten corrigeren in uw beeldbewerkings programma, zoals Photoshop. Gebruik de functie Perspectief of Schuintrekken in het menu Bewerken, Transformeren om de convergerende lijnen weer parallel te krijgen.

 

Beeldvervorming

Blooming effect

Als licht door de lens op de beeldsensor valt, wordt dit omgezet in elektrische lading. De hoeveelheid lading die een pixel of photosite kan opslaan is beperkt. Als een photosite teveel licht krijgt aangeboden en de elektrische lading niet meer kan opslaan, dan stroomt deze lading naar de naastgelegen pixel. Dit effect wordt blooming of streaking genoemd. Fabrikanten proberen blooming te voorkomen, door 'anti-blooming' kanalen vertikaal aan te brengen tussen de rijen met pixels. Als een soort 'drainagepijpen' voeren zij de overtollige lading af en ontlasten daarmee de naburige pixels.

diabloomingeffect.gif

 

 

Hoewel de 'drainage­techniek' redelijk succesvol is, blijft blooming in extreme licht­situaties toch zichtbaar, zeker bij een scherpe en abrupte overgang tussen donker en licht, zoals bij bladeren en takken tegen een heldere lucht het geval is. Blooming uit zich als een witte halo of een verticale streep over een afstand van enkele pixels. Tevens maakt zij chromatische aberratie meer zichtbaar. Dit zijn paarse 'gloeilijnen' langs scherpe contrastovergangen in een afbeelding, ontstaan door een sterkere afbuiging van blauw licht ten opzichte van rood licht.

Chromatische aberratie

Als u ooit hebt gekeken door de verrekijker van uw kinderen, dan bent u waarschijnlijk bekend met chromatische aberratie. Bij digitale camera's kan deze paarse kleurrand ook zichtbaar zijn. De mate waarin, is afhankelijk van het type foto en de aanwezigheid van donkere en lichte randen. De verschillende golflengtes van de componenten hebben verschillende brandpuntsafstanden en chromatische aberratie ontstaat wanneer de lens deze afwijkende lichtcomponenten niet exact bij elkaar kan brengen op de sensor.

diachromatisch.gif

 

Vaak wordt deze kleur­scheiding versterkt door blooming, een overvloeiing van lading (licht) naar naastgelegen pixels op de beeldsensor. Chromatische aberratie kan verminderd worden door speciale lenssystemen te gebruiken met achromatische of apochromatische dubbellenzen. Dit zijn sets van twee of meer lenzen met verschillende reflectie eigenschappen. Deze zijn echter nog steeds niet 100% perfect. In de digitale doka is het mogelijk om de specifieke magenta kleur van de paarse kleurranden te verminderen door de verzadiging te verlagen. Hoewel dit het probleem niet helemaal oplost, worden de kleurranden toch minder zichtbaar, doordat het paars wordt vervangen door een grijswaarde.

Digitale artefacten

Digitale arte­facten (artifacts) zijn versto­ringen in een foto die ontstaan zijn door de beeldsensor, of het optische systeem of compressie door JPEG. Foto's die genomen worden onder slechte lichtomstandigheden zijn hier meer gevoelig voor, omdat digitale consumentencamera's vaak minder goede reultaten geven bij slecht licht. CCD's met hogere resolutie hebben er minder last van, omdat ze meer pixels beschikbaar hebben. Bij kwalitatief mindere camera's zijn de verstoringen al te zien bij kleine afdrukken.
Digitale artefacten zijn grofweg te vergelijken met de korreligheid van analoge negatieffilms. Daar zien we meer korrel verschijnen naarmate de afdrukken groter worden of de foto's onderbelicht zijn. Als afbeeldingen als JPEG opgeslagen worden, gaat er als gevolg van de compressie ook een deel van de informatie verloren. Hoe hoger de compressiefactor wordt hoe meer informatie verloren gaat en des te groter de kans op artefacten. JPEG gaat ook niet zo goed om met kleurrijke afbeeldingen, doordat er zoveel kleurinformatie is, gaat er bij compressie teveel verloren. Sommige verstoringen kunt u bijwerken in uw digitale doka, maar het is beter om digitale artefacten te vermijden door voor voldoende licht te zorgen en niet teveel te vergroten.

Muizentrapjes & ruis

Bij sterke vergroting van een digitale foto ziet u in diagonale en gebogen lijnen concrete geblokte kartels. Omdat een pixel een vierkant blokje is, is het onmogelijk een diagonale lijn volledig 'glad' te maken. Deze geblokte kartels worden ook wel muizentrapjes (jaggies} genoemd en ze zijn vooral zichtbaar bij lijnen onder een flauwe helling tegen een contrasterende achtergrond. Hoe lager de resolutie van de afbeelding, des te beter de trapjes zichtbaar zijn, omdat er minder pixels zijn om de diagonale lijn op te bouwen. De zichtbaarheid van muizentrapjes kan verminderd worden door schuine en gebogen lijnen te ontkartelen (anti-aliasing). Bij dit proces worden pixels met een mengkleur van de lijn en de achtergrond aan de lijn toegevoegd, waardoor het contrast wordt verlaagd en de lijn meer vloeiend oogt.

diamuizentrap.gif

 

Andere vormen van ruis kunnen vergeleken worden met de korrel en imper­fectie van conventionele film. Ze worden veroorzaakt door elektrische fouten in of interferenties van de beeldsensor. Omdat de gevoeligheid van de sensor voor de drie primaire kleuren verschillend is, zal ook de aanwezigheid van ruis in de drie kleurkanalen verschillend zijn. Ruis wordt versterkt door hogere ISO-waarden, door hogere temperatuur en door lange belichtingstijden. Aanwezige ruis wordt door JPEG-compressie nog extra versterkt.

Beeldoptimalisatie

De meeste digitale foto's hebben een kleine opknapbeurtt nodig om er net even iets gelikter uit te zien. We nemen een paar optimalisatietechnieken onder de loep om een digitale foto te verbeteren.

diabeeldoptimize.gif

 

De eerste aan­passing betreft de kleur­balans om de kleuren zodanig aan te passen dat ze zo dicht mogelijk bij de realiteit komen. Hoewel de beeldsensors in digitale camera ontworpen zijn om kleuren exact te reproduceren, is de nauwkeurigheid afhankelijk van de belichting en van de karakteristieken van de beeldsensor. Ook de kleurtemperatuur van het licht is een belangrijke factor. Licht op het midden van de dag is immers veel blauwer dan licht bij een avondlucht of een gloeilamp. De volgende aanpassing betreft de helderheid en het contrast. Deze werken ongeveer hetzelfde als bij de televisie. Met de helderheid regelt u de lichtheid van het gehele beeld en met contrast wijzigt u de verschillen tussen donker en licht. Tenslotte moet ook vaak de scherpte van de foto worden aangepast, omdat de meeste RAW-foto's de neiging hebben ietwat 'soft' te zijn. Verscherping is altijd de laatste stap in de optimalisatie, omdat hierop volgende aanpassingen kunnen leiden tot ongewenste artefacts. Bij elke foto is de aanpassing anders. Belangrijk is dat u alle correcties met mate doet. Een slechte foto zal helaas nooit een goede worden.

Contrast

Het contrast in een afbeelding wordt bepaald door het verschil tussen de lichte en donkere tonen in een compositie. Bij het ontbreken van voldoende contrast is een foto erg grijs en saai. Door het contrast iets te verhogen kunt u een afbeelding veel krachtiger en aantrekkelijker maken. In de natuur is het contrastbereik bijna oneindig en zelfs het menselijk oog kan dit niet bevatten. Een gemiddelde kijker kan 36 niveaus van grijs onderscheiden. Wordt hieraan kleur toegevoegd, dan kunnen onze ogen vele duizenden kleuren herkennen.
Beeldsensors in digitale camera's kunnen niet alle variaties registeren en ook printers of beeldschermen zijn niet in staat alle kleuren te reproduceren. Er moet altijd een compromis worden gesloten tussen de mate waarin donker en licht in een afbeelding aanwezig moeten zijn. Is het contrastbereik groter dan van de beeldsensor, dan moet u kiezen wat het belangrijkste deel van de foto u goed belicht wil hebben. Als u de belichting baseert op de hoge lichten, dan zullen de donkere delen onderbelicht zijn en geen detail meer bevatten. Meet u op de schaduw, dan zullen de hoge tonen overbelicht zijn en volledig wit zijn. Als het contrast erg laag is in een afbeelding, dan kunt u dit in uw fotobewerkingsprogramma aanpassen door de afstand tussen het wit- en zwartpunt van het histogram te verkleinen.

Kleur

Het menselijk oog kan uitstekend kleuren beoordelen, maar hoe onderscheiden we verschillende kleuren wanneer deze ook beïnvloed worden door hoeveelheid en kwaliteit van het licht en de kleuren van omliggende voorwerpen. Het karakter en de stemming van de foto wordt door al deze factoren beïnvloed.

diakleur.gif

 

Kleuren in daglicht zijn verschillend op andere tijdstippen en in andere seizoenen. Ochtend licht heeft een heel andere kleur dan licht op de middag en in de winter is het daglicht frisser dan in de zomer. Het aanwezige licht reflecteert op het onderwerp en een gedeelte wordt geabsorbeerd waardoor een kleurzweem kan ontstaan. Binnen worden kleuren beïnvloed door de kleurtemperatuur van gloeilampen of halogeenlicht, waardoor voorwerpen geel lijken en warm of juist groen en koud. Zoals verschillende soorten film verschillende kleuren produceren, zo heeft elke camera zijn eigen soort sensor en dus ook zijn eigen karakteristieke kleurreproductie. Doordat het menselijk oog zich gemakkelijker dan een digitale camera kan aanpassen aan verschillende soorten licht is het soms nodig om uw foto iets in kleur te corrigeren. Dit kunt u doen in uw digitale doka. In Photoshop kunt u met het menu Variations stap voor stap komen tot de meest neutrale kleur voor een afbeelding.

Speciale effecten

Digitale fotografie is niet de bakermat van de speciale effecten, maar heeft het wel een stuk gemakkelijker gemaakt ze te verwezenlijken. Bij conventionele fotografie moest u voor iets speciaals vele uren doorbrengen in uw doka voor allerlei effecten met zelfgemaakte kartonnen maskers op verschillende soorten papier met giftige chemicaliën.

diaspecial.gif

 

Tegenwoordig met foto bewerkings programma's is het maken van dit soort effecten een 'makkie', omdat uw computer vrijelijk kan 'spelen' met elke afzonderlijke pixel van uw digitale foto. Terughouden of doordrukken van een deel van de foto doet u nu simpel door het betreffende deel te selecteren en alleen hierop een filter toe te passen, waarbij de rest van de afbeelding ongemoeid blijft. Hebt u een foutje gemaakt of is het resultaat niet naar wens, dan kunt u met de "Ongedaan maken" functie of met "Geschiedenis" (History) in Photoshop stap voor stap terugkeren naar de originele foto. De achtergrond veranderen, speciale effectfilters toepassen, onderdelen kopiëren van de ene naar de andere foto. Niets is onmogelijk. Uw eigen creativiteit is de beperkingen van de mogelijkheden. Om de creativiteit nog verder te verhogen hebben verschillende bedrijven plug-ins ontwikkeld om een speciale taak nog eenvoudiger te maken.

Fotografische technieken

Voorwerp afstand en soort lens

De manier waarop we voorwerpen zien in een afbeelding is afhankelijk van de afstand tot het voorwerp en de lens die we gebruiken. Met een 50mm lens, gelijkwaardig aan 50mm op een analoge kleinbeeldcamera (ook wel 35mm camera genoemd) ervaren we een natuurlijk perspectief. De waargenomen afstand tussen de verschillende voorwerpen blijft zoals we ook met onze ogen zouden waarnemen.

diavoorwerpafstand.gif

 

Groothoek­lenzen verwijden het gezichts­veld, waarbij voor­werpen op de voorgrond verder uit elkaar lijken te staan dan werkelijk het geval is en de achtergrond lijkt verder weg dan in werkelijkheid. Telelenzen vernauwen het gezichtsveld (beeldhoek) en voorwerpen lijken dichter bij elkaar te staan dan werkelijk het geval is. De achtergrond wordt naar voren getrokken en lijkt dichter bij het hoofdonderwerp dan we met onze eigen ogen zien. Hoe groter de brandpuntsafstand, des te sterker dit effect. Dit wordt ook wel plat perspectief genoemd. Telelenzen hebben een beperkte scherptediepte bij kleinere diafragma-openingen, waardoor de achtergrond vaag kan worden. Dit fenomeen kan gebruikt worden om het onderwerp te isoleren van de achtergrond, waardoor het meer nadruk krijgt.

Panoramafoto's

De aantrekkingskracht van panoramafoto's is dat ze een wijds en overweldigend overzicht geven van een landschap. Plaats uw camera op een statief op een vlakke ondergrond. Als u die niet heeft kunt uit de hand fotograferen maar dan moet u wel stil én op één punt blijven staan gedurende het fotograferen. Houd de camera dicht tegen u aan en roteer hem gelijkmatig.

diapanorama.jpg

Maak over­lappende opnames (30 tot 50%) zodat u er later niets bij hoeft te klonen. Probeer bewegende objecten te vermijden en gebruik een klein diafragma voor een grote scherptediepte. Bepaal één belichtingsinstelling voor alle foto's. U kunt geen geslaagde panoramafoto's maken als de lichtomstandigheden tijdens het fotograferen te sterk wisselen. Voor het aan elkaar “plakken” van de beelden, zijn er verschillende software pakketten beschikbaar. Met sommige kunt u bepaalde parameters instellen, zoals de gebruikte lens.

Perspectief

Het perspectief van een beeld heeft grote invloed op hoe een foto oogt. Het is afhankelijk van de gebruikte beeldhoek en brandpuntsafstand. Perspectief verandert het aangezicht van een object voor wat betreft grootte en afstand.

diaperspectief.gif

 

Bij gebruik van een groothoek­lens lijkt de achtergrond erg ver weg. Maar als het hoofd­onderwerp dichterbij de camera komt lijkt dat relatief veel groter ten op zichte van de achtergrond. Dit fenomeen kunt u gebruiken om extra aandacht te vestigen op uw hoofdonderwerp. Bij extreem gebruik wordt het beeld echter wel heel onrealistisch. Het verruimen van de diepte bij groothoeklenzen noemen we overdreven perspectief. Een overzichts foto lijkt dan veel wijdser dan onze ogen normaal zouden zien. Foto's genomen met een telelens laten een tegenovergesteld effect zien. Door hun veel kleinere beeldhoek lijken objecten dichterbij elkaar dan in de realiteit. Ze vernauwen het perspectief doordat de objecten uit de voorgrond ongeveer even groot lijken als die uit de achtergrond. Als u door een telelens bijvoorbeeld een straat afkijkt, dan is het moeilijk om de onderlinge afstanden tussen voorwerpen te schatten. Dit effect kunt u gebruiken om de illusie te wekken dat een straat vol met mensen is of dat er veel gebouwen in staan.

Stereo fotografie

Foto's leggen veel situaties vast maar ze missen het dieptegevoel. Als sinds Charles Wheatstone in 1838 het principe van stereo kijken ontdekte, zijn mensen bezig te proberen een stereo foto te maken. Stereoscopische of 3-D beelden worden samengesteld uit 2 opnames van hetzelfde onderwerp, maar vanuit een iets ander gezichtspunt. Door gebruik te maken van een stereoviewer, worden de 2 opnames door onze geest gecombineerd tot één 3-D beeld. Door twee foto's op 6,35 cm van elkaar te nemen ( e gemiddelde afstand tussen de ogen) creëren we een 3-D beeld.

diastereo.gif

 

 

Het probleem van stereo­camera's is dat ze gebaseerd zijn op een oude techniek. Er is geen goedkoop en modern alternatief voor handen maar het is mogelijk om met een digitale camera een stereofoto te maken. Hiertoe maakt u een geleiderail waar u de camera opzet. De rail zorgt ervoor dat de 2 opnames precies op 6,35 cm van elkaar en parallel genomen kunnen worden. Kies een scène waar geen beweging in is en let erop dat er een object op de voorgrond staat waardoor het stereo-effect zichtbaar wordt. Met een stereoviewer kunt u het 3-D beeld zien.